Representatieve personen


Vereniging van Duitse mennonieten

Auteurs: Corinna Schmidt, Joel Driedger

In verscheidene Noord-Duitse steden zijn mennonieten gemeenten. De meeste zijn te vinden in en om Krefeld en Hamburg, maar er zijn er ook in Berlijn, Neuwied, Bielefeld en een aantal andere plaatsen. Hiervanhebben zichveertien gemeenten verenigd in de sedert 1886 opgerichte VDM (‘Vereinigung der DeutschenMennonitengemeinden’), die ongeveer 21.000 leden telt.

Werken aan een gemeenschap
In de VDM ontmoeten predikanten elkaar voor theologische discussies en om lokale onderwerpen te bespreken. Jeugdwerkers organiseren zomerkampen en speciale evenementen voor kinderen, tieners en jongvolwassenen. Er is ook een organisatie gericht op vrouwen. Tevens geeft de VDM training aan lekenpredikers die intensief bij de gemeente betrokken zijn.

Samenwerking met andere kerken
Afgevaardigden van de VDM waren aanwezig bij de oprichting van de Wereldraad van Kerken (=WCC: ‘World Council of Churches’) in Amsterdam in 1948. Bij de Duitse mennonieten leefde er na de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog een sterk verlangen naar een sterkere band tussen alle christelijke kerken.
De WCC bestaat nu uit bijna 350 kerken en heeft ongeveer 550 miljoen leden. Mennonieten staan in verbinding met christenen in de hele wereld.

Ook vandaag de dag zijn zij overtuigd van de noodzaak voor christenen om met elkaar te zoeken naar geweldloze oplossingen voor conflicten, zodat de wereld een betere, en vreedzame plaats wordt.

Gemeenten die lid zijn van de VDM zijn ook lid van de Vereniging van Duitse Kerken (ACK). Door al deze verbindingen zijn mennonieten ervan overtuigd geraakt dat ze van andere kerken kunnen leren, en hun eigen inbreng in de dialoog wordt als belangrijk ervaren.

Geloof en vrede
De VDM wil laten zien dat de boodschap van Jezus goed nieuws kan zijn voor iedereen. Mennonietenzijn er van overtuigd dat geloof in Jezus Christusopenheid, tolerantie, sociale betrokkenheid en vrede met zich meebrengt. Het geloof motiveert ons om anderen te helpen. Mede hierom richtte de VDM het MennonietenVredescentrum in Berlijn op, waar gewerkt wordt aan vrede in probleemwoonwijken en zorg wordt besteed aan sociaal zwakkeren. In onze gemeenten is plaats voor iedereen. We doen ons best om conflicten op een vreedzame manier op te lossen. De VDM inspireert haar leden om hun geloof verder te verdiepen, en tegelijkertijd actief in hun gemeente te zijn.

Vertaling: Eliza ten Kate 


Martelaarschap

Auteur: Hermann Heidebrecht

Toen de bolsjewieken in 1917 de macht in Rusland eenmaal gegrepen hadden, bestreden zij de godsdienst op grote schaal. Geestelijken vormden in hun ogen een grote hindernis op de weg naar een communistische samenleving. Dit liep in de late jaren 1920 uit op de grootste vervolging van christenen in het Europa van de twintigste eeuw.

Vervolgingen
De werkelijke omvang van die vervolging werd pas in de jaren 1980 bekend. Een speciale staatscommissie publiceerde dat er gedurende het Sovjettijdperk ongeveer tweehonderdduizend geestelijken (priesters, geestelijk verzorgers, oudsten en diakenen) zijn vermoord. Nog eens driehonderdduizend predikanten en christenen werden opgesloten in gevangenissen en werkkampen. Ongeveer veertigduizend kerken werden vernield. Om de mennonieten nog meer te frustreren, werden er torenhoge belastingen opgelegd die zij niet konden opbrengen. Kerken werden in beslag genomen en verbouwd tot bioscopen, graanpakhuizen of werkplaatsen. Ook hun oudsten en predikers werden gearresteerd.

In de gevangenis
Dit gebeurde ook met oudste Jakob A. Rempel uit Grünfeld. Van 1906 tot 1912 studeerde hij theologie, taalkunde en filosofie aan de Universiteit van Bazel. Terug in Rusland werd Rempel leraar op een school, later op een universiteit. Hij sloeg het aanbod van een positie als hoogleraar op de Universiteit van Moskou af, omdat hij was verkozen tot oudste in zijn gemeente in Neu-Chortitza. In de jaren 1920 had Rempel de leiding over de [Russische] Doopsgezinde Broederschap. Hij onderhandelde met de regering om ervoor te zorgen dat de gemeenten konden blijven voortbestaan. In 1929 werd zijn familie gedeporteerd, en zijn bezittingen in beslag genomen, voor Rempel redenen genoeg om uit zijn woonplaats weg te vluchten. In november van dat jaar werd hij in Moskou gearresteerd en volgde een lange marteling van zeven maanden. Daarna werd bij nog eens veroordeeld tot tien jaar werkkamp.

Rempels laatste brieven
Een aantal jaren later wist hij te ontsnappen, maar kort daarna werd Rempel opnieuw gearresteerd. Hij zat gevangen tot 11 September 1941, de dag waarop hij samen met 156 andere gevangenen op bevel van Stalin werd vermoord. In één van zijn laatste brieven schrijft hij:

Ze kunnen me ketenen,  me slaan, mijn hoofd afhakken, maar niemand kan me mijn geloof afnemen, mijn kennis, de geschiedenis van mijn leven. Van boerenknecht tot professor, en daarna een nog hogere positie: het werken voor mijn gemeenschap. Ik ben nu op het hoogtepunt van mijn leven. Ik zal me er niet op doen voorstaan, noch zal ik mij onttrekken aan mijn gekozen pad. Ik buig slechts diep voor Diegene die mij deze weg voorgeschreven heeft.

Vertaling: Eliza ten Kate 


Een rondtrekkende prediker

Auteur: Johannes Dyck


Johannes Fastkreeg betekenis als rondtrekkend prediker van de MennonitischeBrüdergemeinden.Hij wordt beschouwd als één van de sleutelfiguren tijdens de wederopbouw van gemeenten in nieuwe plaatsen in Rusland na de Tweede Wereldoorlog. Fast werd geboren in 1886 in Mariental in de Alt-Samara kolonie in Rusland, en overleed in 1981 in Dshetysai, Kazachstan. Zijn ouders, een weduwe en weduwnaar, vormden een nieuw gezin met in totaal dertien kinderen, en samen kregen ze nog eens negen.

Roeping en theologische opleiding
Nadat hij de dorpsschool had afgemaakt, ging Fastin de leer bij zijn oudere broer, die timmerman was. In 1908 doorliep hij zijn driejarige vervangende dienstplichtin de bosbouw in Gross-Anadol in Zuid-Rusland. Hier ‘zag hij het licht’ op 4 mei 1908, en twee jaar later preekte hij voor het eerst. Tussen 1911 en 1913 studeerde hij aan het St. Chrischona Seminarie in Zwitserland. Na zijn terugkeer in Rusland nam hij een beroep aan als predikant in de MennonitischeBrüdergemeindein Alexandertal, alwaar hij ook het koor dirigeerde, een jongerengroep opstartteen rond trok als prediker. In 1913 trouwde hij met Agathe Driedger. Nadat zij in 1926 overleed, huwde hij een jaar laterWilhelmineEnns. Zij bleven bij elkaar tot 1976.

Een grote beproeving voor Fasts missie
In maart 1931 werden Fast en zijn gezin naar het Verre Oosten gedeporteerd, alwaar hij tot 1954 verbleef. Een jaar later verhuisde hij naar Temirtau in Kazachstan. Vandaaruit bezocht hij de vele over Centraal Azië, Siberië en de Oeral verspreidde gelovigen. Hij predikte, onderwees en doopte, wijdde mensen in tot prediker en stichtte gemeenten. Dat bleef hij volhouden, ook na1958, toende onderdrukking steeds heviger werd.Hoewel de autoriteiten hem begonnen te dwarsbomen, werd de 70 jaar oude prediker niet gevangengenomen.

Preken om te zien
Vanaf 1967 leefde Fast in Dshetysai in Zuid-Kazachstan. Hier sloot hij zich aan bij een gemeente die voor het merendeel uit Duitsers bestond. Ondanks het feit dat zijn gezichtsvermogenverslechterde, zette hij zijn werk voort. In 1970 begon hij zijn preken op te schrijven voor weduwen.Door de lezers werden deze overgeschreven. De bijna blinde en oude prediker publiceerde twee prekenbundels, en een bundel voor speciale gelegenheden. Zijn werk is de meest omvangrijke collectie van door een mennoniet geschreven preken,in de Sovjet-Unie na de Tweede Wereldoorlog.

Meer informatie over Johannes Fast kunt u vinden in de GermanMennonite Encyclopedia Online (www.mennlex.de/doku.php?id=art:fast_johannes)

Vertaling: Eliza ten Kate 


‘Gelijke rechten voor alle soorten geloof’

Auteur: Ulrich Hettinger

Hermann vonBeckerath werd geboren in een weversfamilie in Krefeld. In 1815 begon hij een opleiding tot bankier, en binnen een paar jaar had hij een leidinggevende positie. Hij werd gedreven door ambitie en een strenge arbeidsethos, en maakte binnen twee decennia deel uit van de vooraanstaande burgers van Krefeld. Hij stichtte zijn eigen bank, zat in de gemeenteraad van Krefeld, was voorzitter van de Kamer van Koophandel en vanaf 1840 één van de toonaangevende liberalen in het Pruisische Rijngebied.

Van 1843-1845, een periode van toenemend conflict tussen de burgers en de autoriteiten, was vonBeckerath lid van het Rijnlandse parlement. Zijn portefeuille was tolheffing en handel, en hij streed voor gelijkheid voor Joden en dissidenten, en voor liberale hervorming van de Pruisische staat. Hij werd vooral populair door de debatten die hij voerde tijdens de eerste zitting van het Pruisische parlement in 1847, waar hij zich een fervent voorvechter toonde van een grondwet voor alle inwoners van Pruisen. ‘Mijn wiegje stond naast mijn vaders weefgetouw’, met deze beroemde woorden sprak hij de Pruisische adel in het parlement toe. Net als de andere vertegenwoordigers van het Rijnlandse liberalisme, streefde de politicus naar een liberale herstructurering van de Pruisische monarchie. Hij wilde er een constitutionele monarchie van maken.

Na de revolutionaire gebeurtenissen van maart 1848 werd vonBeckerath lid van het parlement van Frankfurt, en werkte hij tevens als minister van financiën. Hij was voorstander van het stichten van een democratische Duitse republiek, zonder Oostenrijk, onder leiding van Pruisen. Toen de Pruisische koning uiteindelijk de door de Keizer aangeboden kroon weigerde, trad een zwaar teleurgestelde vonBeckerath af. Na de revolutie bleef hij tot 1852 aan als lid van het Pruisische Lagerhuis. In de jaren daarna trok hij zich volledig terug uit de politiek, en richtte hij zich op de zakenwereld en de plaatselijke politiek. Hermann vonBeckerath overleed in mei 1870, vlak voor het uitbreken van de Franco-Pruisische oorlog.

Zijn opvattingen en acties waren geïnspireerd door een door piëtisme geïnspireerd doperdom, liberaal-constitutionele waarden, en een diepgewortelde vaderlandsliefde. Dit komt naar voren in zijn steun aan de Pruisische monarchie en zijn oproep tot gelijke rechten voor alle soorten geloof, maar ook in zijn fervente steun voor de dienstplicht, die hij zag als een essentiële tegenhanger van liberale rechten en vrijheden. Ondanks het verzet van zijn 'orthodoxe' geloofsgenoten, bleef hij bij dit standpunt.

Vertaling: Eliza ten Kate 

Hervormer

Auteur: Marius Romijn

Menno werd priester in de begintijd van de hervorming, toen ook de 'sacramentariërs' opkwamen (Zij wezen het misoffer af). Als kapelaan in Pingjum betwijfelde hij het miswonder, en ging hij de bijbel bestuderen. Inmiddels drong de doperse beweging hier door. Na de onthoofding van Sicke Freerks, die was herdoopt, ging Menno bovendien twijfelen aan de kinderdoop. Toch werd hij eind 1532 pastoor in Witmarsum; hij gold toen als een 'evangelisch prediker'.

 

Dit beginnende doperdom benadrukte de komende Eindtijd; de ware gelovigen moesten zuiver en weerloos leven, in een vlekkeloze gemeente. Een snelgroeiende groep dopers, onder Jan Matthijsz, naderhand Jan van Leyden, wilde zélf het 'Nieuwe Jeruzalem' vestigen, in de bisschopsstad Münster. Het stadsbestuur ging hierin mee, en men bewapende zich voor de verdediging, want de bisschop zou een heroveringsleger sturen.

 

Na een jaar ging dit Münsterse rijkje ten onder. Bij dopers geweld in Friesland waren ook mensen uit Menno's omgeving betrokken. De dopers waren in verwarring, en werden hevig vervolgd. Menno leefde nog comfortabel, maar voelde zich onvrij: 'Ik was in Egypte'. In 1536 trad hij uit de katholieke kerk, en moest ondergronds gaan. Na veel denken en praten, liet hij zich dopen.

 

In 1537 werd Menno tot 'oudste' aangesteld (doperse voorman). Geleidelijk werd hij een leider van de Nederlandse dopers, en verminderde de invloed van zijn concurrent David Joris. Er kwam een prijs op zijn hoofd; mensen die hem hadden gehuisvest, kostte dit het leven. Onderhand schreef hij boeken en traktaten; de overheid verbood die. Hij reisde nog wel rond, maar leefde uiteindelijk als balling in Holstein, met zijn vrouw Geertruyd en enkele kinderen.

 

Omdat voor de dopers de zuivere gemeente centraal stond, hanteerden ze de 'ban': Uitsluiting van leden met wangedrag, om hen via berouw terug te winnen voor de gemeente. De invloedrijke oudste Lenaert Bouwens, bande in Emden de man van Swaan Rutgers, en verbood haar de echtelijke omgang. Zij weigerde, om haar trouwbelofte niet te breken. Menno wilde dit schikken, maar Lenaert dreigde om ook hem te bannen. Menno gaf toe, waarop de meer rekkelijke 'waterlanders' zich afscheidden. Op zijn sterfbed uitte hij spijt, dat hij 'een knecht van mensen' was geweest.

 

Menno was een hervormer van de tweede generatie, geen geleerde zoals Luther, Zwingli en Calvijn. Als praktisch leider verenigde hij de vreedzame dopers in een zeer spannende periode. Aan het eind van zijn leven viel die eenheid in duigen.

 

Bron: Piet Visser, Sporen van Menno. Het veranderende beeld van Menno Simons en de Nederlandse mennisten (i.s.m. Nederland, Canada, de Verenigde Staten en Duitsland, 1996).

 

Een bescheiden mens die de doopsgezinde broederschap hielp vormgeven

Auteur: Marius Romijn

Begin twintigste eeuw werd de invloed van vrijzinnigheid kleiner, terwijl orthodoxie en katholicisme stabiel waren. Veel jongere predikanten worstelden met 'zonde en verlossing'. Zij vonden inspiratie bij de Engelse quakers, vooral hun conferenties in Woodbrooke. Daar stonden Christus en het gebed in het middelpunt; leken gaven leiding in geestelijke zaken en bij praktisch werk.

 

Tjeerd Hylkema werd er als student zeer geraakt door lekenvroomheid, lekenarbeid en vredesgetuigenis. Hij overlegde met andere doopsgezinden, om zoiets in de broederschap in te voeren. Daaruit ontstond in 1917 de Vereniging voor Gemeentedagen, een combinatie van landelijke en regionale ontmoetingen, werkgroepen en geleidelijk ook conferentie- en kampeerverblijven. Vrouwen namen er volop deel, en er kwam nieuw leven in de broederschap. Hylkema, vanaf 1912 predikant in Giethoorn, was tien jaar de voorzitter. De ADS reageerde eerst argwanend op deze beweging van onderaf, met socialistische, pacifistische, feministische, piëtistische en orthodoxe trekjes. Het eigen blad de Brieven verscheen vanaf 1918. Er waren onder meer werkgroepen voor bijbelstudie, het organiseren van jongerenkampen, en tegen de krijgsdienst.

 

In Giethoorn stichtte Hylkema een rietvlechtschool; hij speelde ook een hoofdrol bij hulpverlening aan de doopsgezinden in Rusland, die na de revolutie zwaar werden vervolgd. Zijn boekje daarover uit 1920 De geschiedenis van de doopsgezinde gemeenten in Rusland in de oorlogs- en revolutiejaren 1914 tot 1920, werd herdrukt en uitgebracht in het Duits. Hij werkte mee aan de emigratie van honderden Russische doopsgezinde vluchtelingen naar Noord- en Zuid-Amerika, via Rotterdam. In Nederland werd in de crisistijd hulp geboden aan verarmde gezinnen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog organiseerde hij een transport van Joodse kinderen naar Londen, en hulp aan vluchtelingenkampen in Nederland.

 

In 1929, toen het doopsgezind broederschapshuis Fredeshiem gereed was waarvan Hylkema de initiator was, werd hij predikant in Amersfoort. Vanaf 1936 tot 1948 stond hij in Amsterdam. Hij is voorzitter geweest van de Doopsgezinde Vredesgroep en was actief voor de bibliotheken van onder meer het Vredespaleis in Den Haag. Hij schreef veel stukken in de Brieven, meerdere boeken, en had een aandeel in de Doopsgezinde Liederenbundel van 1944.

 

Het werk van de Gemeentedagbeweging stimuleerde internationale contacten en bracht de ADS in 1924 tot een verbreding van de doelstelling; bij 'bevordering van de predikdienst' kwamen de materiële, zedelijke en godsdienstige belangen van de Nederlandse doopsgezinden en het vertegenwoordigen van de doopsgezinden naar buiten. In 1947 werd de naam van de Gemeentedagbeweging: 'Gemeenschap voor Doopsgezind Broederschapswerk'.

 

Tjeerd Hylkema was een bescheiden mens; ondanks een zwakke gezondheid kon hij veel van zijn idealen realiseren. Dit hielp de broederschap bij het ingaan van de twintigste eeuw.

 


Bouwmeester en kunstenaar

Auteur: Paul F. Thimm

In Gdansk kom je sporen tegen van een doperse bouwmeester- en kunstenaarsfamilie Van den Blocke. Hanzestad Danzig (Gdansk) was een van de rijkste en mooiste steden in Noord-Europa.

Willem was de zoon van beeldhouwer François van den Blocke, uit Mechelen, België. Samen met broer Egidius trokken zij naar Danzig. Men zocht naar vaklui die de trots van deze stad omzetten in bouwwerken. Grote bekendheid verwierf hij met de opdracht voor de Hooglandse Poort, beginpunt van de ‘Koninklijke Route’ door de binnenstad. Hij versierde die met natuursteen, wapens van Polen, Pruisen en de stad. In Oliva maakte hij de graftombe voor de familie Kos. In Königsberg is ook een graftombe van hem.

Zoon Abraham, architect en beeldhouwer, werkte mee aan de Artushof en de Neptunusfontein, en vervaardigde de marmeren graftombe voor markies Bonifacio in de Drievuldigheidskerk. Verder ontwierp hij het Gouden Huis van burgemeester Speimann en de Gouden Poort. Zoon Isaac maakte schilderijen in de Catharinakerk en in de ‘Rode Zaal’ van het raadhuis, daarnaast afbeeldingen op altaar en kansel in de Mariakerk. Samen met broer Jacob, timmerman, werkten ze aan de erepoort voor koning Sigismund.

Nieuwkomers verwierven het burgerrecht van Danzig door de burger-eed te zweren, zoals Egidius en Willems zonen Abraham, Jacob en David. Om die reden zijn zij waarschijnlijk luthers geworden, daar mennonieten geen eden zweren.

Waarschijnlijk bleven Willem en zijn zoon Isaac mennoniet. Kenmerkend hiervoor is dat Willem zijn drie zoons vernoemde naar de aartsvaders. Ook zijn ‘Vermeulenbijbel’ wijst daarop, die tekstueel overeenstemt met de ‘Biestkensbijbel’ van doperse makelij. De Danziger koopman Krijn Vermeulen liet  deze drukken voor zijn Nederlandstalige geloofsgenoten. Op dit exemplaar staan Willems naam en het jaartal 1607 vermeld.

Isaac verzocht om zijn vak uit te mogen oefenen zonder eed te hoeven zweren. Zijn mennoniet-zijn vinden we terug in zijn plafondschilderij van het raadhuis. God is daarop niet afgebeeld, maar met een arm uit de hemel en de vier letters van de Godsnaam aangeduid.

Bronnen:
Horst Penner, ‘Niederländische Täufer formen als Baumeister, Bildhauer und Maler mit an Danzigs unverwechselbarem Gesicht‘, in: Mennonitische Geschichtsblätter (MGB), 26. Jg. 1969, S.12-26.
Horst Penner, ‘Kunst und Religion bei Wilhelm und Isaac von dem Block‘, in: MGB 27.Jg. 1970, S. 48-50.
Rainer Kolbe, ‘Wie mennonitisch war die Danziger Künstlerfamilie von Block?‘, in: MGB 66. Jg. 2009, S.71-84.
Rainer Kolbe, ‘Die Vermeulen-Bibel des Wilhelm von den Blocke von 1607‘, in: MGB 67. Jg. 2010, S.69-75. Nachtrag zu dem Artikel “Wie mennonitisch war die Danziger Künstlerfamilie von Block?“, in: MGB 66 (2009). 

 


'Een man met een missie'

Auteur: Nataly Venger 

Jacob Hoeppner was mennoniet en ondernemer in Pools Pruisen. Hij speelde een actieve rol in de migratie van de mennonieten naar Rusland. Hij geloofde in de mogelijkheden en de voordelen van de migratie, en wist andere vertegenwoordigers van de gemeenschap hiervoor te interesseren. Zijn vastberadenheid en zijn steun voor één van de grootste migratieprojecten was het begin van een nieuw tijdperk in de geschiedenis van de Europese mennonieten. Hoe kwam hij hiertoe?

In Danzig dreef Hoeppner een klein winkeltje en een herberg. George vonTrappe, een afgezant van de Russische regering, was klantbij hem. Onder de indruk van Hoeppners zakelijke vaardigheden, verteldehij hem over het ‘Manifest’ van Catharina II dat emigreren moest bevorderen. Dit kwam op een moment, dat de omstandigheden voor de mennonieten in Pools Pruisen, onder het bewind van Keizer Frederik II, steeds slechter werden. Demennonietengemeente Danzig drongen er bijHoeppner en zijn collega Johann Bartschdan ook op aan om een bezoek aan Rusland te wagen. De gemeente wilde meer duidelijkheid over de voorwaarden voor migratie, en of er geschikt land was. Met deze opdracht vertrokken Hoeppner en Bartsch in de herfst van 1786. Het daarop volgende jaar vonden ze een goede vestigingsplaats in de buurt van Beryslav.Met dank aan onderhandelingen met staatsman G. Potemkin, ondertekende Catharine II in 1788 hiertoe een formeel document met de titel ‘Privileges’.

Deze 'Privileges' waarborgden emigranten geloofsvrijheid en zelfbestuur. Enhet stimuleerde zowelmensenrechten als goede financiële garanties. Het document beloofde de mennonieten land, krediet en het recht op ondernemerschap. Ook was daarin het recht geregeld om molens, die met staatssubsidie gebouwd warente erven, evenals het recht op bezit van winkels, brouwerijen en azijnmakerijen.

Tussen 1787-1788 kwam de eerste groep van emigranten naar Rusland. Echter, onderweg naar Beryslav veranderde de Russische overheid de beloofde plaats van hun toekomstige nederzettingen wegens de dreigende opmars van het Ottomaanse Rijk. Dit viel niet in goede aarde bij de mennonieten die Hoeppner en Bartschbeschuldigden van bedrog.Het nieuwe land in Chortitzableek langniet zo vruchtbaar als in Beryslav. Hoeppner werd uit zijn gemeente geëxcommuniceerden gevangen genomen. Later, onder het nieuwe bewind van keizer Alexander I, werd Hoeppnergerehabiliteerd en weer in degemeente opgenomen. Hij bracht de laatste jaren van zijn leven door in de Kronsweide kolonie.

Volgens het Mennonite Heritage Village in Steinbach (Canada) werd er in 1890 een gedenksteen op Hoepnners graf gezet, ter markering van een nieuwe fase in de geschiedenis van de Europese mennonieten. In de jaren 1960 werd deze steen van Oekraïne naar Canada overgeplaatst.

Vertaling: Eliza ten Kate

 

 

Ondernemer en hervormer

Auteur: Nataly Venger

Johan Cornieswas in Rusland actief in de handel, de schapenfokkerij, en de bierbrouwerij. Daarnaast was hij de eigenaar van een klein bedrijf. De winst van zijn agrarische bedrijf investeerde hij in de groei van de industrie, wat een beslissende factor zou worden voor de voorspoed van de nederzettingen. Door zijn succesvol ondernemerschap verwierf Cornies openbare steun en aanzien: hij werd een alom geprezen vertegenwoordiger van de mennonieten.

Ook door de Russische overheid werd hij gewaardeerd.Zij ondersteunde Corniesbij het doorvoeren van hervormingen in de mennonieten kolonies. Zijn ideeën weken af van die van J. Warkentin, een kerkelijk leider die de gemeenten geïsoleerd wilde houden, en niet met de Russische elite wenste samen te werken. wilde samenwerken.

Leider van de nederzettingen en van verenigingen
Johannes Cornies begon zijn loopbaan in 1871, toen hij benoemd werd als leider van de nieuwe nederzettingen uit Danzig. Daarna kwamen ook de emigrantenkoloniën van Wittenberg onder zijn leiding te staan. Vanaf 1825 werkte hij aan het 'Nogan Project', wat als doel had om de Nogay bevolking beschaving bij te brengen. Cornies bleek over uitstekende bestuurskwaliteiten te beschikken, evenals over het vermogen om de juiste balans te vinden tussen de eisen van de Russische overheid en de belangen van een traditionele samenleving. Als leider van de Bosbouwvereniging (1830) en de Landbouwvereniging (1836) had hij de leiding over veel projecten die verband hielden met economische vooruitgang.

Een nieuw plan en Neu-Halbstadt
Toen er steeds meer gebrek aan land kwam en het aantal ‘landlozen’ onder de mennonieten groeide, stelde Cornies een nieuw plan op waarbij stukjes land in de buitenwijken van de nederzettingen voor gemeenteleden werden gereserveerd. Ook schonk hij 100.000 roebel van zijn eigen spaargeld om de nieuwe kolonie Neu-Halbstadt te stichten. Cornies was een privé-bankier die geld leende aan mennonieten en Duitse ondernemers, aan Russische landeigenaren en politici. Ook zorgde hij ervoor dat degemeenschappen geld leenden aan jonge ondernemers. Met succes reorganiseerde hij het onderwijssysteem, en hij kreeg ambachtslieden met een mennonieten afkomst zo ver dat ze hun vaardigheden aan Bulgaarse jongeren leerden.

Op de toekomst gericht
Als piëtistische mennoniet, geloofde Corniesin de bevordering van gerechtigheid en eensgezindheid, zowel binnen de gemeenten als in de nederzettingen. Zijn tolerante, maar ook autoritaire houding,zorgden ervoor dat hij positieve veranderingen wist te bewerkstelligen. Hij was er van overtuigd dat de toekomst van de nederzettingen in een gemoderniseerd Rusland afhing van de marktontwikkelingen. Het resultaat van zijn succesvolle projecten was dan ook merkbaar in de decennia die erop volgden.

Vertaling: Eliza ten Kate 

‘Menniste Paus’

Auteur: Annelies Vugts-Verbeek

Muller wordt tegenwoordig beschouwd als een van de meest invloedrijke seminariumhoogleraren in de geschiedenis van de Nederlandse doopsgezinden. In zijn eigen tijd werd hij spottend  de ‘menniste paus’ of ‘hoofd van de kerk’ genoemd. Zijn groeiende autoriteit en invloed stond in gespannen verhouding met het autonome en antiautoritaire ‘eigene’ van de doopsgezinden. Hij was meer een representant van de negentiende eeuw dan de liberale doopsgezinden die zich thuis voelden in het gedachtegoed van de verlichte achttiende eeuw.

 

Van Krefeld naar Amsterdam

De Duitse Muller kwam op een beurs uit Krefeld naar Amsterdam (1801) om opgeleid te worden tot doopsgezind predikant. De fijne kneepjes van het vak leerde hij in het stadje Zutphen (1806). Daarna volgde beroepen in de aanzienlijker gemeenten Zaandam-Oostzijde (1809) en Amsterdam (1814). In 1827 werd hij als seminariumhoogleraar benoemd waarvoor hij langer dan 30 jaar werkte. Hij was toen al enige tijd als bestuurder betrokken.

 

Emancipatie

Onder zijn bewind professionaliseerde het Doopsgezind Seminarium. Uiteindelijk zou het Seminarium in hetzelfde aanzien komen te staan als de opleiding van de Nederlandse Hervormden aan de voorloper van de Universiteit  van Amsterdam. De doopsgezinden zelf waren steeds hoger opgeleid en speelden een aanzienlijke rol in de maatschappij en het culturele leven, bijvoorbeeld in de genootschappen en periodieken. Daarom hadden zij goed opgeleide voorgangers nodig die onderwijzend en stimulerend predikten, en participeerden in de toonaangevende culturele netwerken. Deze doopsgezinden wilden opgaan in de maatschappij. Ten opzichte van de hervormden onderscheidden zij zich in hun anti-dogmatisme en nadruk op de bijbel als enige autoriteit.

 

Kritiek

Vele van zijn leerlingen waren de stimuli voor deze doopsgezinde emancipatie. Toch was er ook kritiek op de doopsgezindheid van Muller. Collega’s als Joost Hiddes Halbertsma (1789-1869) miste het oude liberalisme en folkloristische doopsgezind eigene, terwijl Jan de Liefde (1814-1869) orthodoxer en piëtistisch was. De Liefde verliet de doopsgezinden. Anderen, zoals een deel van de gemeente Balk, zochten het buitenland op om daar hun geloof uit te oefenen.

 

Men zou kunnen zeggen dat de huidige Nederlandse doopsgezinden meer de erfgenamen van Muller dan van Menno Simons zijn. Met Muller gingen de doopsgezinden een nieuwe tijd in die hen zou voorbereiden op het modernisme. Dat was een theologische richting die in de tweede helft van de negentiende eeuw alle dogma’s betwistte, zelfs het geloof in God. De inmiddels oude Muller was geschokt door de nieuwe stroming waarvoor hij onderbewust de deur had opengezet.

 

Bron: Annelies Verbeek, ‘Menniste Paus’. Samuel Muller (1785-1875) en zijn netwerken, Hilversum 2005