Geschiedenis


Beieren: het begin

Auteur: BeaterZipperer

Tijdens de Reformatie vormden zich veel doperse gemeenten in Beieren. De autoriteiten waren echter niet van hen gediend, zodat er tussen de zestiende en zeventiende eeuw op last van de Beierse hertogen, een groot aantal wederdopers werd terechtgesteld. Dit leidde ertoe dat velen van hen vluchtten naar Moravië, alwaar ze gedurende een aantal decennia gedoogd werden en Gods Woord bleven verspreiden. Maar in Beieren waren er aan het eind van de zestiende eeuw geen wederdopers meer.

De koning en de doperse boeren
Het duurde tot 1800, toen Maximilian IV Joseph Keurvorst van Beieren een wet in het leven riep die protestanten toestondnaar Beieren te verhuizen, waaronder ook mennonieten. Hierdoor kwam een grote (r)emigratiegolf op gang. Doorde specifieke hulp van de keurvorst en de mogelijkheden die het geseculariseerde Beieren bood,konden veelmennonieten terug komen. De keurvorst, die na 1806 koning werd, gaf de voorkeur aan mennonieten, omdat ze bekend stonden om hun efficiënte landbouwmethoden.Vruchtbaar land was er genoeg, en er waren boeren nodig om dit te bewerken.

De mennonieten konden voor een goede prijs land van de voormalige kloosters pachten. De koning gaf sommige families zelfs hele landgoederen. De Amish, maar ook de mennonieten uit de Pfalz, wilden zich maar al te graag op deze landgoederen vestigen. De mennonieten bouwden dorpjes,stichtten kerkelijke gemeenten, zetten gebedshuizen en scholen op, zodat er voor de beleving van de verschillende geloofsovertuigingenvoldoende ruimte was.

Vertaling: Eliza ten Kate

Weerloosheid tegenover verdediging

Auteurs: Marius Romijn, Pieter Post

Doopsgezinden in Nederland kiezen zélf, of ze kunnen meewerken aan staatsgeweld. Dat was anders in de tijd van Menno Simons; de doopsgezinde benadering van geweld heeft zich daarna sterk ontwikkeld.

 

Münster of Menno?

Menno stond tegenover de Münsterse dopers die in 1534 het stadsbestuur hadden overgenomen. Toen herovering door de bisschop dreigde, gingen enkele duizenden Nederlandse doopsgezinden gewapend op weg, ter verdediging van 'Het nieuwe Jeruzalem'. Volgens de Münstersen was het een tijd van wraak, waarin de gelovigen het zwaard moesten opnemen, onder 'De nieuwe David' (Jan van Leyden). Pas hierna zou het vrederijk van Christus worden gevestigd.

 

Weerloze doopsgezinden steunden soms de overheid

Voor Menno en zijn volgelingen had de overheid een door God gegeven taak: 'Bescherming van de zwakken en verdediging van het geloof'. Zelf waren ze weerloos, maar regeringen konden binnen hun taak geweld gebruiken. Menno aanvaardde het bekleden van een overheidsambt, zolang men vrij bleef van bloedvergieten.

In een belegerde stad namen doopsgezinden geen wapens op, wel konden ze branden blussen en schade herstellen. In 1572 brachten Waterlandse doopsgezinden geld naar Willem van Oranje, voor de verdediging tegen de Spanjaarden. In 1672 droegen verschillende soorten doopsgezinden bij om het leger te versterken.

 

Scheiding kerk en staat

Aan het eind van de achttiende eeuw raakten patriottische doopsgezinden onder invloed van de Franse Revolutie actief op de staat betrokken in hun strijd om gelijke rechten. Samen met remonstranten en andere verlichte theologen namen zij zitting in het eerste Nationale Parlement dat de scheiding van kerk en staat voorbereidde. De doopsgezinde predikant Jacob Henrik Floh (1758-1830) was secretaris van de Eerste Kamer en bepleitte gelijke rechten voor Joden die tot de laagste sociale klasse behoorden. In de praktijk betekende de scheiding van kerk en staat (1848) onder doopsgezinden echter geen vanzelfsprekendheid. Enkele theologiestudenten namen deel aan de gewelddadige opstand die het uiteenvallen van België en Nederland tot gevolg had (1830), terwijl een deel van de gemeente Balk naar de Verenigde Staten emigreerde wegens verplichte wapendienst (1853).

 

In de twintigste eeuw werd de geweldloosheid tot nieuw leven gewekt door de doopsgezinde ‘Arbeidsgroep tegen den Krijgsdienst’ (1925). Hieruit vloeide later de Doopsgezinde Vredesgroep voort met een eigen Vredesbureau dat gewetensbezwaarden begeleidde (1946). Gaf de dienstweigeringswet (1923) ruimte voor gemoedsbezwaarden, tegenwoordig is de opkomstplicht voor de militaire dienst opgeschort (1997).

 

Referenties: Alle G. Hoekema e.a., Dagboek Cor Inja. Geen cel ketent deze dromen (Hilversum 2001). Afbeelding: S. Groenveld e.a., Wederdopers, menisten, doopsgezinden in Nederland 1530-1980, (Zutphen 1980),174.

 


Oostenrijkse mennonieten worden erkend

Auteur: Martin Podobri

Tijdens de reformatie van de zestiende eeuw bekeerden vele Oostenrijkers zich tot het protestantisme. In sommige delen van het land behoorden negentig tot 95 procent tot het protestantse of doperse volksdeel. De mennonieten werden echter van het begin af aan vervolgd en velenstierven als martelaren. Na deze periode waren er gedurende meer dan driehonderd jaar lang geen mennonieten meer in Oostenrijk. In 1869 veranderde die situatie. Toen baptisten een gemeente in Wenen stichtten, kwam ook voor mennonieten de weg weer vrij om gemeenten te stichten.

Eerste sociëteit van mennonieten
Vlak na de Tweede Wereldoorlog was er behoefte aan geestelijke hulp en sociaal werk. Om daarin te voorzien kwamenin 1947 het Mennonite Central Committee en de MennoniteBrethren Mission naar Oostenrijk. De zendelingen verspreidden het evangelie en veel mensen vonden het geloof. In 1953 startte de eerste mennonietengemeente in Linz en in de daarop volgende jaren werden er gemeenten gesticht in Wenen, Wels, Salzburg en Steyr. Tevens werd een ‘Sociëteit van Mennonieten’ opgericht waarin alle gemeenten met elkaar verbonden waren.

Religieuze Status
Tot de jaren 1990 behoorde 98 procent van de Oostenrijkers tot de Rooms-katholieke Kerk die door de overheid officieel erkend was. De mennonieten genoten net als de meeste andere protestantse kerken, geen officiële erkenning; ze werden omschreven als een religieuze vereniging of sekte. Toen er tussen 1960 en 1990 tal van evangelische gemeenten werden gesticht, voegden sommige kerken zich tot deze gemeenschappen, terwijl andere kerken zich verenigden tot broederschappen. Op deze manier werd er geprobeerd overheidserkenning te verkrijgen. Dat had een reden.

Vijf groepen, één kerk
Om erkenning te verkrijgen, had een gemeenschap 16.500 leden nodig, dat is 0,2 procent van de Oostenrijkse samenleving. Door zich te verenigen kreeg men dat aantal bij elkaar.In 2011 kwamen de besturen bijeen van de mennonieten, baptisten, pinkstergemeenten en evangelische kerken om gezamenlijk de status van ‘kerk’ te verkrijgen. Hierdoor werd de oprichting van de 'Freikirchen in Österreich' een feit. In januari 2013 dienden ze het voorstel om een kerk te wordenbij de regering in, en in augustus van dat jaar was het zover. Sedertdien vormen baptisten, de 'ElaiaChristengemeinde', pinkstergemeenten, evangelische kerken en mennonieten officieel één kerkgenootschap in Oostenrijk.

Dit is een unieke situatie, omdat al deze kerkgenootschappen de volwassenendoop toepassen en daarmee een dopers kerkgenootschap vormen.

Vertaling: Eliza  ten Kate 


Van monarchisten naar democraten

Auteur: Nataly Venger

Catharina de Grote nodigde de mennonieten uit om in Rusland te komen wonen. Op haar initiatief koloniseerden de mennonieten nieuw verkregen land. Hoe veranderde de houding van de monarchie ten opzichte van de mennonieten en waarom?

Privileges
Voor het nieuw verkregen land In Zuid Rusland had Catharina mensen nodig die zich wilden vestigen en het land wilden ontginnen. Een en ander ter bevordering van de economie van het keizerrijk. In de Manifesten schreef de keizerin dat de kolonisten extra voorrechten werden beloofd. In 1788 tekende zij 'De MennonitischeVoorrechten'. Dit actieve emigratiebeleid bood de mennonieten een gunstig financieel vooruitzicht. Opvallend is het dat noch het Russische volk noch andere etnische groepen deze voorrechten kregen.

Moraal
Na Catharina, steunden zowel Paulus I (1796–1801),  als Alexander I (1801–1825) als Nicholas I (1825–1855) de mennonieten. Paulus I gaf ze een 'Oorkonde van Privileges' voor hun morele gedrag als voorbeeld voor andere groepen in de samenleving.
Alexander I stelde extraregels voor kolonisatie vast, waarinhij onder meerrijke immigranten voorkeursrecht gaf. Hij gaf de opdracht om alle eerdere wetten samen te voegen in de 'Statuten van de Koloniën'.De vorst betaalde voor het bouwen van kerken in de dorpjes Orloff en Rudnerweide. De nederzetting Alexanderwohl werd naar hem vernoemd, toen hij Steinbach en Tiege bezocht.

Ook Nicholas II (1894–1917) verleende zijn steun aan de 'Privileges'.Zijn ideeënkwamen tot uiting in de slogan: 'Orthodoxie, autocratie en nationaliteit.' Ook al waren de mennonieten protestanten, toch stonden ze achter de idee van de 'vorst als vader'. Hieruit bleek hun toewijding aan de monarchie.

Verandering van status
De modernisering en eenwording onder Alexander II kondigde een nieuw tijdperk in de geschiedenis van de nederzettingen aan. In 1871-1874 verloren de mennonieten hun status van 'kolonist' en werden ze opgeroepen voor een vervangende militaire dienstplicht. Toch stopten deze hervormingen de ontwikkeling van de koloniën niet, vooral omdat Alexander II geen supporter was van de nationalisten. De mennonieten bleven trouw aan het concept van een 'economisch messianisme' dat hun connectie met de monarchie mogelijk maakte. Een nieuwe nederzetting kreeg de naam van Alexander II.

Van monarchisten naar democraten
Alexander III (1881–1894) en Nicholas II werden beïnvloed door  nationalistische sentimenten. In navolging van de nationalistische ideologie zagen zij de Russische natie en de Orthodoxe kerk als een eenheid, wat henzowel anti-protestants, alsook anti-Duits maakte. Lange tijd hadden de mennonieten de monarchie gesteund, maar door de democratische processen, mededoor de revolutie van 1905-1907 en door het Russische nationalisme op gang gekomen,raakten zij in discussiemet de regering. Dit had tot gevolg dat de mennonieten veranderden van aanhangers van de monarchie in voorstanders van democratie en een parlementair systeem.

Vertaling: Eliza ten Kate 


Nieuw begin na de Tweede Wereldoorlog

Auteur: Johannes Dyck

Onder de heerschappij van Stalin verloren de mennonieten bijna al hun oudsten, predikanten en kerkgebouwen. De Sovjet-Unie, die in juni 1941 bij de Tweede Wereldoorlog betrokken raakte, deporteerde alle Duitsers, inclusief de mennonieten, uit het Europese deel van het land naar Siberië en Centraal-Azië. Bovendien werden in het begin van 1942 alle overgebleven en inzetbare mannen gemobiliseerd ten gunste van het ‘Rode Leger van Werkers en Landmannen’.

Gebedsgroepen ten tijde van deportatie
Ook al waren godsdienstoefeningen niet meer toegestaan, toch zochten christenen van allerlei gezindten elkaar op viaclandestiene gebedsdiensten. Vaak meer dood dan levend, begonnen de gedeporteerden tot God te roepen. Eén van deze geheime gebedsgroepen werd in 1942 door de voormalige oudste van de mennonietengemeente in Nikolaifeld, Heinrich Voth, geleid. Godzijdank, leidde dit  tot een nieuwe opbloei van geloof en ontstonden er ook op andere plaatsen vele gebedsgroepen.In 1945 werden de naar Duitsland gevoerde mennonieten naar de Sovjet-Unie teruggehaald. Daar zetten zij hun kerkdiensten voort in de plaatsen waar ze terecht kwamen. Waar mogelijk sloten mennonieten zich aan bij Russische Baptistengemeenten die hun diensten tijdens de oorlog hadden kunnen voortzetten.

Na Stalin
Na de dood van de dictator in 1953 versoepelde het politieke beleid enigszins. In 1956 werden alle Duitsers bevrijd vanhun ballingschap. De onderdrukking was minder zwaar, en in veel dorpjes werden mensen die zich in de voorgaande jaren bekeerd hadden, gedoopt, wat een gewaagde stap was. Dit leidde tot het opzetten van kleine geloofsgemeenschappen in de voormalige verbanningsoorden. Duitse ex-bannelingen, inclusief mennonieten, reisden af naar het zuiden, vooral naar Kazachstan en Kyrgyzstan. Daar stichtten ze óf nieuwe gemeenten, óf sloten ze zich aan bij bestaande Russische Baptistengemeenten. Deze gemeenten stemden in veel opzichten overeen met de Mennonitische Brüdergemeinden.

Geweldloosheid verworpen
Vanaf 1958 echter,ving een nieuwe golf van vervolgingen aan. De mennonieten werden beschouwd als een sekte die vanwege hun geweldloze positie reactionair van aard en tegen de overheid zouden zijn. Hun gemeenten werden van de lijst van officieel toegestane denominaties gehaald, waardoor hun erkenning verdween. In 1966 veranderde deze situatie; mennonieten gemeenten en Mennonitische Brüdergemeindenwerden eindelijk wettelijk erkend.

Bron: And When They Shall Ask. A Docu-Drama of the Russian Mennonite Experience (1984/2010) dvd. www.mennonitemediasociety.com

Vertaling: Eliza  ten Kate


Giften

Auteur: BeaterZipperer

Mennonieten gemeenten kunnen voortbestaan dankzij financiële giften. In de gemeente Ingolstadt, bijvoorbeeld, betalen de leden elke maand een vrijwillige bijdrage. Velen laten zich hierbij leiden door het bijbelse concept van de 'tienden'.

Bronnen van inkomsten
Een andere,zij het kleine bron van inkomsten,is de verhuur van ruimten. Voor een klein bedrag kan een particulier of instelling zijn bijeenkomsten of vieringenin het kerkgebouworganiseren.De onderhoudskosten voorhet gebouw, de kosten voor reparaties, de verwarming enonvoorziene zaken, maar ook de kosten voor eigen concerten en de jaarlijkse kinderweek, komen allevoort uit de contributie van de gemeenteleden.

Collecten
Elke week wordt er voor de koren, speciale gelegenheden, en voor de landelijke instellingeneen collecte gehoudentijdens de kerkdienst. In Zuid Duitsland zijn dat bijvoorbeeld: de JUWE (voor kinder- en jeugdwerk) en de VdM (Verband deutscherMennonitengemeinden). Maar we zamelen ook geld in voor nationale Duitse organisaties zoals de AMG (ArbeitsgemeinschaftdeutscherMennonitengemeinden); DMFK  (DeutschesMennonitischesFriedenskomitee); DMMK (DeutschesMennonitischesMissionskomitee); CD (ChristlicheDienste) en wereldwijd voor de MWC (Mennonite World Conference).

Doordat we op verantwoorde wijze met de contributies, giften, en het jaarlijkse financiële verslag omgaan, kunnen we onafhankelijk van de overheid blijven. Zo kunnen we autonoom, zelfbesturend en in alle vrijheid het koninkrijk van God dienen.

Vertaler: Eliza ten Kate 


Succesvolle ondernemers

Auteur: Nataly Venger

De mennonieten in Rusland waren niet alleen succesvolle boeren, maar ook talentvolle ondernemers. In de provincie Ekaterinoslavbezaten zij toonaangevendeproductiebedrijvenvoor landbouwmachines. ‘Lepp en Wallman’ was op dat terrein een firma met naam. De fabriek was in1850 gesticht door Peter Lepp, grondleggervan een dynastie van ondernemers.Onder leiding van kleinzoon Johann Lepp, die de firma in 1879 erfde en tot 1919 exploiteerde, werd de fabriek tot zijn hoogtepunt gebracht.

De Lepp-Wallmann Dynastie
In 1880 werd de rijke boer Andreas Wallmann vennoot van Lepp. De firma ging daarna verder onder de naam 'Lepp en Wallmann'. In 1903 werd de firma een Naamloze Vennootschap. Aandeelhouders waren de elf vertegenwoordigers van de Lepp-Wallmann dynastie. Zij leidden de drie fabrieken in de provincie Ekaterinoslav. Rond 1903 werd de waarde van de firma geschat op 1,15 miljoen roebel. Dit groeide uit tot 2,4 miljoen roebel(1903-1913).

Succes en erkenning
Eerst produceerde de fabriek eenvoudige landbouwwerktuigen om te maaien, wannen en oogsten. In 1847 bracht het de eerste 'Lepp'sBooker' uit. Rond 1880 werd het sortiment uitgebreid met machines die een belangrijke rol speelden in de industrialisatie: stoommachines, ketels, oliepersen en gereedschap voor zaagmolens. Tussen 1860 en 1912 deed de fabriek mee aan landbouwtentoonstellingen en won 33 medailles en diploma's. Tijdens de Eerste Wereldoorlog, werd de firma gedwongen om ook wapens te produceren. Voor de (pacifistische) mennonieten was dit de enige manier om in die moeilijke tijd hun eigendom te kunnen behouden.

Het belang van mennonieten fabrieken
Lepp-Wallmann leverde een enorme bijdrage aan de ontwikkeling van de landbouwmachines in het Russische Rijk. Beroemde ondernemers zoals A. Koop en C. Hildebrandtverkregen hun eerste baan in de fabriek van P. Lepp.In 1900 produceerden de mennonieten in de provincie Ekaterinoslav meer dan 58 procent van de landbouwwerktuigen in Rusland. In de provincie Taurida was een derde van de machinefabrieken in hun handen. In 1911 was twintig procent van de landbouwwerktuigen in Novo-Russia eigendom van mennonieten. Deze cijfers zijn een indicatie van het succesvolle ondernemerschap van deze etnische en religieuze groepering.

De mennonieten maakten in die tijd gebruik van de meest recente technologieën, ze waren succesvol in het concurreren met buitenlandse firma's, en ze konden de consument goedkope werktuigen van hoge kwaliteit bieden. Zo droegen zij ook bij aan de economische vooruitgang en de modernisering van Oekraïne.

Vertaling: Eliza ten Kate 

Nederlandse doopsgezinden en politiek

Auteur: Gabe G. Hoekema

Tegenwoordig voelen veel doopsgezinden zich betrokken bij vragen rondom gerechtigheid, ontwikkelingswerk en armoedebeleid. Lange tijd gold dat zij zich op afstand hielden van maatschappij en politiek. In het algemeen gold als leidraad dat de gemeente ‘wel in de wereld, maar niet van de wereld is’. Op de overgang van de achttiende eeuw naar de negentiende eeuw namen dissenterse en patriottische doopsgezinden echter deel aan militante vrijkorpsen en zaten zij in het eerste Nationale Parlement. Ook al assimileerden zij maatschappelijk in de negentiende eeuw, het bleef tot in de twintigste eeuw taboe om in de gemeente over politiek te spreken. Politiek werd beleefd als een persoonlijke aangelegenheid. In de gemeente moest het gaan over het geloof en over de geloofsopvattingen die de leden onderling verbonden. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog kwam dat het scherpst tot uiting toen het oprukkend nazisme in Duitsland ook in Nederland aanhangers kreeg. In De Zondagsbode, het landelijk blad van de doopsgezinden, werd daarover nauwelijks geschreven. Ook niet toen sommige gemeenteleden en predikanten met het Nationaalsocialisme sympathiseerden en zij Hitler bewonderden om zijn sociaaleconomisch beleid.

 

Vietnam en kernwapens

Vanaf de jaren 1960 trad de politiek meer op de voorgrond. Zoals in de discussie  over, en het protest tegen de oorlog in Vietnam en weer later tegen de atoomwapens. Belangrijk was de nadruk op de vraag hoe doopsgezinden een vredesgemeente kunnen zijn.

 

Doopsgezind  polderen

Doopsgezinden leven in een land waar al vele jaren een sfeer is van overleg. Geen politieke en kerkelijke stroming heeft zoveel macht  dat zij zonder andere  stromingen regeren kan. Dat betekent altijd onderhandelen en compromissen sluiten. In gemeenten waar politiek ter sprake komt wordt er gezocht naar wat men verbindt. Zo is er bij sommigen ook een sterk besef van oecumene.

 

Christelijke politiek

Tot op heden zijn er christelijke politieke bewegingen, maar doopsgezinden hebben zich vanuit hun geloof niet politiek georganiseerd. Zij identificeren zich veelal met het liberale of het sociaaldemocratische gedachtegoed. Een kleinere groep zit daar tussen in of is iets radicaler links. Milieu en duurzaamheid zijn voor veel doopsgezinden belangrijke aandachtspunten.

Echt politiek actief zijn de doopsgezinden dus niet, op enkele volksvertegenwoordigers in het parlement na. Sommigen werden minister, staatssecretaris of burgemeester. De bekendste politici op de drempel naar de twintigste eeuw zijn: C. Lely (1854-1929), wiens naam verbonden is aan de Afsluitdijk en S. van Houten (1837-1930) stelde de eerste sociale wet op die kinderarbeid verbood. In de jongste geschiedenis zijn dat: D.K.J. Tommel (1942-) en mw. A. Jorritsma-Lebbink (1950-).

 

Bronnen: C. van Duin, ‘De doperse gemeente – een politiek relevante zaak’, in: Doopsgezinde Bijdragen 2 (Amsterdam 1976), 62-71; E.I.T. Brussee-van der Zee, ‘De Doopsgezinde Broederschap en het nationaalsocialisme, 1933-1940’, in: Doopsgezinde Bijdragen 11 (Amsterdam 1985), 118-130.

 

 


Christian Peacemaker Teams Europe (CPT)

Auteur: Marius van Hoogstraten

Over de hele wereld leven miljoenen mensen op plaatsen waar gewapende groeperingen, soldaten of milities de dienst uitmaken. Miljoenen anderen hebben hun land moeten verlaten en zijn op de vlucht. Je hoort vaak: ‘Ach, zo gaat het nou eenmaal in de wereld’. Soms heerst het idee dat het enige wat we voor deze mensen kunnen doen het sturen van een leger is. Maar dat maakt de oorlog alleen maar erger.

Aanpak op de werkvloer
Christian Peacemaker Teams proberen andere oplossingen te vinden. We gaan naar plaatsen waar (oorlogs-)geweld heerst, om samen met lokale bewoners aan de vrede werken. We gebruiken geen wapens maar maken foto's en aantekeningen. Soldaten en andere gewapende groeperingenherkennen ons aan onze hesjes en petten. Daardoor zijn ze minder snel geneigd om geweld te gebruiken.Ze weten dat er op ze wordt gelet.

Vroeger meenden we tamelijk uniek te zijn in onze aanpak. Tegenwoordig weten we dat de lokale bevolking zelf ook oplossingen vindt om zich geweldloos te verzetten. Ook in situaties waar zij zich verzetten tegen multinationalsdie hun leefomgeving verwoesten.
Door middel van publicaties en videofilmpjes proberen we deze lokale grassroot- vredeswerkers mentaal te ondersteunen en internationale bekendheid te geven.  

Geweldloos verzet
Voorbeelden zijn: het vormen van een menselijke barrière tussen soldaten en demonstranten, gewoon naar school gaan of je schapen hoeden, zelfs als het leger je probeert tegen te houden, enzovoort.
Ook in Canada ondersteunen CPT vrijwilligers geweldloos verzetvan inheemse bewoners van wie de leefomgeving bedreigd wordt door grote houtverwerkingsbedrijven. Als er barricades opgeworpen worden om de vrachtwagens uit het bos te houden, vertellen de CPT-ers de niet-inheemse Canadezen wat de bezwaren van de inheemse bevolking zijn.

En in Europa houden we ons bezig met het geweld dat vluchtelingen vaak moeten ondergaan. Er is bijna geen veilige manier om Europa binnen te komen.De grenzen wordendoor militairen streng bewaakt. Dit leidt ertoe dat veel vluchtelingen andere, riskantere routes proberen. Duizenden zijn in de afgelopen jaren omgekomen aan de grenzen, vooral in de Middellandse Zee en tussen Griekenland en Turkije.

De start van Christian Peacemaker Teams vond plaats in 1984 tijdens het Doopsgezind Wereldcongres (Straatsburg). Het idee was om duizenden christenen via parachutes in conflictgebieden te droppen. We beseffen nu dat we onszelf en de hulp die we konden bieden,toen nogal overschatten. Tegenwoordig werken er niet alleen christenen voor CTP; onze samenwerking met lokale groepen is de kern van ons werk geworden. We ondersteunen momenteel grassroots initiatieven in Colombia, Palestina, Iraaks Koerdistan en Canada.

Vertaling: Eliza ten Kate 


Mennonieten emigreren van de USSR naar Duitsland

Auteur: Hermann Heidebrecht

Vóór 1987 konden slechts een paar duizend mennonieten van Rusland naar Duitsland verhuizen. Pas na dat jaar werden de emigratieverzoeken door Duitsland en Rusland meestal goedgekeurd. Op grote schaal begon er een volksverhuizing op gang te komen, zodat nagenoeg alle mennonieten de voormalige Sovjet-Unie verlieten. De achtergrond van deze migratie hing samen met vervolgingen en onderdrukking die bijna zeventig jaar hadden geduurd.Vooral de verdachtmaking dat de in Rusland geboren Duitsersop de hand van Hitler waren geweest, waaronder mennonieten, was een extra reden om te vertrekken.

Politieke en financiële kwesties
Men mag aannemen dat de meeste mennonieten het nooit eens zijn geweest met de Sovjetpolitiek. Deportatie, beslaglegging, arrestatie, executie en ander leed dat hen was aangedaan, hadden diepe wonden geslagen. Er was nauwelijks een mennonieten familie te vinden, of er werd wel om iemand gerouwd. Ook het gebrek aan financiële middelenwerkte emigratie in de hand. Overal in steden en in dorpen kostte het veel moeite om aan brood, boter, melk, suiker en ander voedsel te komen, tenzij het door de mensen zelf verbouwd was. Dat gold ook voor kleding, meubels, huishoudelijke apparaten en andere artikelen.

Organisaties die de immigranten hielpen
In 1972 richtten Duitse mennonietengemeenten een immigrantenorganisatie op (Die Mennonitische Umsiedlerbetreuung). Jarenlang hielpen ze de nieuwe Duitsers aan een woonplaats, en ondersteunden ze hen bij het stichten van nieuwe gemeenten. Na enkele jaren konden deze nieuw ingezetenen hun eigen immigrantenorganisatieopzetten en het stokje overnemen: de Aussiedler-Betreuungsdienst. Sinds 1972  hebben de beide diensten meer dan honderdduizendmennonieten of mensen met een mennonieten afkomst, verwelkomd. Zij hielpen hen in opvangkampen aan de grens en bij de overgang van de ene naar de andere deelstaat.

Vertaler: Eliza ten Kate