Mededogen


Sociale zorg doorde Oostenrijkse mennonieten

Auteur: Martin Podobri

Dat er vandaag de dag nog mennonieten in Oostenrijk zijn, is te danken aan hunaandacht voor maatschappelijke zorg.

Maatschappelijke zorg na de Tweede Wereldoorlog
Dat begon vlak na de Tweede Wereldoorlog, toen er een groot voedseltekort in het land heerste. In 1946 werd er slechts veertig procent voedsel in eigen land geproduceerd. De gemiddelde burger kreeg daardoor slechts 600-800 calorieën per dag binnen.Hulporganisaties, waaronder het Mennonite Central Committee (MCC), kwamen dit tekort aanvullen. Deze mennonieten stichtten in de jaren die volgden, gemeentenwaaruit later de MFÖ (MennonitischeFreikirchenÖsterreich)voortvloeide.

Maatschappelijke zorg nu
Gerda Gewessler is coördinator van het project ‘Operation Christmas Child’, wat deel uitmaakt van een grotere organisatie ‘SamaritansPurse’. Zij weet als geen ander hoe het is om honger te lijden. Als kind ontving zij pakketten van geallieerde soldaten. Nu kan ze vanuit haar positie arme kinderen cadeaus geven en hen een gelukkige kerst bezorgen. De mennonieten in Oostenrijk zijn vandaag de dag nog steeds bijzonder actief in de maatschappelijke zorg. De gemeente Linz is bijvoorbeeld één van de belangrijkste verzamelpunten voor dit project. In 2012 verzamelden ze bijna vierduizend pakketten!

Leden van de gemeente Wels richtten de vereniging 'Essen undLeben' op. De vereniging is snel gegroeid en nu geven ze elke week voedsel aan honderden armen. De gemeente Wels is ook actief in 'ChristlichenFamilienarbeit', een zendingsorganisatie die gezinnen in crisis ondersteunt. Vooral vrouwen met kinderen die een 'dak boven hun hoofd' nodig hebben kunnen daar terecht.Veel van de gemeenteleden in Wenen zijn onderwijzers. Zij geven bijles en helpen kinderen met, onder andere, een buitenlandse achtergrond met huiswerk.

De Oostenrijkse MFÖ is klein; vierhonderd leden verspreid over vijf gemeenten. Toch doen zij veel op het gebied van maatschappelijke zorg, en daarom alleen al is het goed dat er mennonieten in Oostenrijk zijn.

Vertaler: Eliza  ten Kate

Gemeenschap en algemeen welzijn

Auteur: Alle G. Hoekema

In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw bouwde de ‘Gemeentedagbeweging’, die streefde naar geestelijke vernieuwing in de doopsgezinde broederschap, verschillende broederschapshuizen. Ze  vervullen een belangrijke rol, ook ten opzichte van de samenleving in zijn geheel, en maken een belangrijk deel uit van de doopsgezinde identiteit. Onlangs werd in Mennorode een nieuwe, ecologisch verantwoorde kapel gebouwd. Een andere vorm van gemeenschap vormen de zogenaamde ‘inloophuizen’, waar thuislozen en vluchtelingen zonder identiteitsbewijs op adem kunnen komen.

 

Weeshuizen, hofjes en scholen

In de zeventiende eeuw stichtten Nederlandse doopsgezinden weeshuizen, en bouwden ze hofjes. Ook vonden ze andere vormen om armen en gemarginaliseerden te ondersteunen. Vooral de grote gemeenten werden actief op deze terreinen. Omdat de doopsgezinde weeshuizen relatief klein waren, konden de wezen goede individuele aandacht krijgen. Na de Tweede Wereldoorlog nam de overheid de zorg op deze gebieden over. Soms zijn de oorspronkelijke stichtingen blijven bestaan; ze ondersteunen noden en activiteiten voor kinderen en jongeren, ook in het algemeen. Slechts één gemeente, Haarlem, kende bijna twee eeuwen lang twee doopsgezinde lagere scholen; aan het begin van de twintigste eeuw stonden ze bekend vanwege hun moderne onderwijsmethoden. Ze werden in 1958 gesloten.

 

Tehuizen voor ouderen

Sommige gemeenten hebben nog altijd een of meer hofjes. Bovendien werden vanaf de jaren dertig van de twintigste eeuw moderne huizen voor ouderen gesticht. Al zulke huizen zijn nu afhankelijk van overheidsregels en subsidies; dat betekent ook een verlies aan doopsgezinde identiteit.

 

Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen

Nederlandse doopsgezinden waren ook actief op het gebied van volksopvoeding en in arme wijken van de grote stad op dat van volksgezondheid. De ‘Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen’ werd in 1784 door enkele doopsgezinden en anderen opgericht. In overeenstemming met de idealen van de Verlichting zetten plaatselijke afdelingen zich in voor volksopvoeding en lectuurverspreiding. De doopsgezinde inbreng is momenteel gering. In de negentiende eeuw waren verschillende welvarende doopsgezinden in Amsterdam betrokken bij de bouw van publieke badhuizen en volkshuisvesting. Toen Nederland na de Tweede Wereldoorlog een verzorgingsstaat werd, verminderde de invloed van de kerken snel op al deze terreinen. Mogelijk zal die rol op sociaal gebied in de nabije toekomst weer moeten groeien.

 


Ziekenhuisbezoeken

Auteurs: Jean-Paul Herzog, i.s.m. Mireille Peterschmitt en Sara Herzog

Elke week lopen Fabienne uit Straatsburg en Odile uit Sélestat ziekenhuizen en klinieken in hun respectievelijke steden in en uit. In een omgeving waar mensen zorgen hebben, lijden, rouwen en vreugdevol zijn, maar ook leven en dood ervaren, komen ze langs om patiënten, families en personeel te ontmoeten en naar hen te luisteren.

Fabienne en Odile zijn ziekenhuisbezoeksters. Wat zij doen is uiting geven aan de pastorale betrokkenheid van de gemeente op mensen die alleen zijn: dat kan via een enkel bezoek of door steun te geven voor een wat langere tijd. Tijdens hun visites laten zij zich vergezellen door Jezus Christus, de Heer, die hen leidt bij hun dagelijkse pastoraat.

Gewoon er zijn
In de Franse ziekenhuizen vormen de bezoeksters een aanvulling op het andere ziekenhuispersoneel, ze willen er zijn voor de mens. Vroeger was het heel normaal dat christelijke bezoekers ongehinderd door de ziekenhuizen en klinieken konden lopen. In de huidige Franse seculiere maatschappij is dat anders. Ziekenhuizen zijn plaatsen waar mensen uit verschillende sociale klassen en met verschillende geloven en overtuigingen met elkaar te maken krijgen. De bezoeken aan de patiënten zijn bij elk geloof en elke cultuur weer anders van aard. Daarom moet iedereen die van buitenaf in een ziekenhuis steun wil aanbieden kunnen aantonen dat ze met een legitieme reden komen.

Niettemin voorziet het pastoraat in een behoefte. Ziekenhuizen zijn ook plaatsen waar vragen bovenkomen. Vandaag de dag rust er een grote druk op het medische personeel door intermenselijke relaties, en om technische en financiële redenen. Als het op ethische discussies aankomt kunnen de bezoekers een rol van betekenis spelen. Soms zijn zij beter dan een medewerker in staat een patiënt te verwijzen naar iemand buiten de instelling om in zijn behoeften te voorzien. Onze twee ziekenhuisbezoeksters hebben er hun handen vol mee.

Sedert 23 jaar begeleidt, helpt en zendt de Dienst Geestelijke Verzorging genaamd:Compassion in Action, bezoldigde geestelijke verzorgers en een aantal vrijwillige bezoekers. Dit in samenwerking met de Protestante kerken van de Elzas en de Lorraine. Evangelische gemeenten in de buurt helpen ook mee. De mennonieten in Straatsburg hebben deze kleine liefdadigheidsinstelling opgericht. Onze harten zijn vervuld van erkentelijkheid. Wij danken God voor Zijn trouw en hulp; ons werk van geloof en dienstbaarheid gaat nog elke dag voort.

Vertaling: Eliza ten Kate 


Een rondtrekkende prediker

Auteur: Johannes Dyck


Johannes Fastkreeg betekenis als rondtrekkend prediker van de MennonitischeBrüdergemeinden.Hij wordt beschouwd als één van de sleutelfiguren tijdens de wederopbouw van gemeenten in nieuwe plaatsen in Rusland na de Tweede Wereldoorlog. Fast werd geboren in 1886 in Mariental in de Alt-Samara kolonie in Rusland, en overleed in 1981 in Dshetysai, Kazachstan. Zijn ouders, een weduwe en weduwnaar, vormden een nieuw gezin met in totaal dertien kinderen, en samen kregen ze nog eens negen.

Roeping en theologische opleiding
Nadat hij de dorpsschool had afgemaakt, ging Fastin de leer bij zijn oudere broer, die timmerman was. In 1908 doorliep hij zijn driejarige vervangende dienstplichtin de bosbouw in Gross-Anadol in Zuid-Rusland. Hier ‘zag hij het licht’ op 4 mei 1908, en twee jaar later preekte hij voor het eerst. Tussen 1911 en 1913 studeerde hij aan het St. Chrischona Seminarie in Zwitserland. Na zijn terugkeer in Rusland nam hij een beroep aan als predikant in de MennonitischeBrüdergemeindein Alexandertal, alwaar hij ook het koor dirigeerde, een jongerengroep opstartteen rond trok als prediker. In 1913 trouwde hij met Agathe Driedger. Nadat zij in 1926 overleed, huwde hij een jaar laterWilhelmineEnns. Zij bleven bij elkaar tot 1976.

Een grote beproeving voor Fasts missie
In maart 1931 werden Fast en zijn gezin naar het Verre Oosten gedeporteerd, alwaar hij tot 1954 verbleef. Een jaar later verhuisde hij naar Temirtau in Kazachstan. Vandaaruit bezocht hij de vele over Centraal Azië, Siberië en de Oeral verspreidde gelovigen. Hij predikte, onderwees en doopte, wijdde mensen in tot prediker en stichtte gemeenten. Dat bleef hij volhouden, ook na1958, toende onderdrukking steeds heviger werd.Hoewel de autoriteiten hem begonnen te dwarsbomen, werd de 70 jaar oude prediker niet gevangengenomen.

Preken om te zien
Vanaf 1967 leefde Fast in Dshetysai in Zuid-Kazachstan. Hier sloot hij zich aan bij een gemeente die voor het merendeel uit Duitsers bestond. Ondanks het feit dat zijn gezichtsvermogenverslechterde, zette hij zijn werk voort. In 1970 begon hij zijn preken op te schrijven voor weduwen.Door de lezers werden deze overgeschreven. De bijna blinde en oude prediker publiceerde twee prekenbundels, en een bundel voor speciale gelegenheden. Zijn werk is de meest omvangrijke collectie van door een mennoniet geschreven preken,in de Sovjet-Unie na de Tweede Wereldoorlog.

Meer informatie over Johannes Fast kunt u vinden in de GermanMennonite Encyclopedia Online (www.mennlex.de/doku.php?id=art:fast_johannes)

Vertaling: Eliza ten Kate 


Vrede in het centrum van Berlijn

Auteurs: Martina Basso, Marius van Hoogstraten

Bij mennonieten staat vrede centraal in de theologie. Maar vrede kan afhankelijk van tijd en plaats verschillende betekenissen hebben. Daarom nam de Vereniging van Duitse Mennonieten Gemeenten (VDM) in 2009 uitgebreid de tijd om na te denken over wat het vredesgetuigenis vandaag de dag betekent. Dit leverde de 'Declaration on Just Peace' op. Naast een theologisch gedeelte omschrijft deze Verklaring ook 'oefenterreinen voor vrede en geweldloosheid', wat leidde tot het oprichten van het Berlin MennonitePeace Centre.
    
Een cultuur van Vrede
Het werk dat in het Berlin MennonitePeace Centre gedaan wordt heeft de Verklaring als basis, en is bedoeld om te laten zien hoe een 'vredescultuur' eruit zou kunnen zien. Wat betekent het om een vredeskerk te zijn in een grote stad vol diversiteit, en tevens een belangrijke hoofdstad? In de Verklaring schrijft de VDM:  'De taak van vrede is niet beperkt tot het stoppen van geweld. De bedoeling is ook om structuren te creëren die bij kunnen dragen aan een rechtvaardige en langdurige vrede.'

Wat betekent vrede in de praktijk?
Voor ons betekent dit het meewerken aan de opbouw van netwerken die geweld willen voorkomen. Zo draaien we mee in een netwerk van mensen en organisaties in probleemwijken van Berlijn. Tevens geven we cursussen over het voorkomen van geweld door sport, en we zijn een ontmoetingsplek, waar mensen uit verschillende culturen en van uiteenlopende religies kennis met elkaar kunnen maken. Ook werken we samen met de Brethren in Christ in Zimbabwe.We laten de samenleving en andere kerken kennis maken met het vredesgetuigenisen zoeken naar oplossingen voor de conflicten waarmee ze geconfronteerd worden. We organiseren 'bidden voor vrede' en blijven zoeken naar een 'vredesspiritualiteit' die geloofs- en regionale grenzen overschrijden. Tenslotte ondersteunen en adviseren we mennonieten gemeenten en instellingen bij hun vredeswerk.

Vertaling: Eliza ten Kate 


Van 'Armengutkasse' naar Swiss Mennonite Mission

Auteur: Pierre Zürcher

Hulp aan de medemens is belangrijk in de mennonieten gemeenten, en dat is altijd zo geweest. Zodra een gemeente werd gesticht werd er ook altijd een 'Armengutkasse' of liefdadigheidsfonds opgezet, om mensen in nood te helpen. Het geld voor dit fonds kwam van vrijwillige bijdragen en erfenissen van gemeenteleden. Alhoewel de bisschop van het plaatselijke bisdom het recht had om erfenissen van kinderloze echtparen voor zichzelf op te eisen (ledroitd'auboine), stond hij ze meestal welwillend af, omdat hij wist dat de mennonieten goed voor de armen in hun middenzorgden. In de archieven van de Konferenz der Mennonieten der Schweizzijn handgeschreven kasboeken van elf gemeenten bewaard gebleven waarvan de oudste dateert uit 1715.

Hulp aan dopersenen niet-dopersen
Het liefdadigheidsfonds van de gemeenten hielp mensen in het gehele land; de Jura, het gebied rondom Bazel en zelfs over de grens tot in Frankrijk. Individuele gevallen van hulp aan niet-dopersenstaan ook in de kasboeken. Al lezend in deze oude boeken vind je interessante voorbeelden. In 1768 schreef de diaken Christen Tschantz dat hij uit  Bürki's testament voor de 'Armengut' 300 kronen had ontvangen. Een andere penningmeester schreef: 'Op 11 september 1859 ontving ik vlak voor zijn dood 91 frank van Ueli Lehman, voor de armen’. Tevens konden alleenstaande bejaarden vaak bij doperse families wonen. Hun kost en inwoning werd dan door de 'Armengutkasse' betaald.

Swiss Mennonite Mission (SMM)
De doperse 'Armengutkasse' geeft aan hoe belangrijk hulp aan de medemens voor Zwitserse gemeenten was– lang voor het begin van de welvaartsstaat. Het is daarom niet verrassend dat sommigenervan verdacht werden alleen maar lid te worden van een gemeente, omdat ze aangetrokken werden door deze vorm van bijstand.
Na de Tweede Wereldoorlog richtten de Zwitserse mennonieten hun eigen hulporganisatie (SMO) en ook een zendingsorganisatie (SMEK)op. Sinds 1998 zijn deze verenigd in de Swiss Mennonite Mission. De afgelopen decennia zijn er door hen meerdere malen hulpacties georganiseerd. In 1974 is bijvoorbeeld vijftig ton poedermelk naar het door honger getroffen Tsjaad gestuurd. Door de jaren heen zijn er veel van dit soort acties geweest, vaak in samenwerking met de hulporganisatie van de Noord-Amerikaanse doopsgezinden, het Mennonite Central Committee (MCC).

Vertaling: Eliza ten Kate


Liefdadigheidsprojecten

Auteur: Nataly Venger

De sociale projectendie mennonieten organiseerden, gaven blijk van een hoge graad van medemenselijkheid. Zij wisten als geen ander om mensen die in het nauw zaten weer bij de gemeenschap te betrekken. Ook de economische status van hun gemeenschappen was van een belangwekkend niveau. Daardoor vervulden zij een voorbeeldfunctie voor heel Rusland.

De gemeenschap dienen
Volgens hun ethiek moest geld ‘leven’ en gebruikt worden voor nuttige dingen.Rijkdom was een middel om de gemeenschap in liefde te dienen. Het financiële vermogen van de gemeenten werd gebruikt voor het beheren van,wat in Rusland wel,'instellingen van openbare liefdadigheid' werden genoemd.

Scholen, ziekenhuizen en verzorgingshuizen
Belangrijke instellingen voor rehabilitatie waren, vanaf 1914:een school voor mensen met hoor- en spraakstoornissen in Tiege, een verzorgingshuis en het ‘Bethania’ psychiatrisch ziekenhuis – vanwege het veelvuldig voorkomen van onderlinge huwelijken was er een groot aantal mensen met mentale problemen.
Deze instellingen werden financieel gesteund door de rijkste mensen in de gemeenschap. Zowel 'Bethania' als de voornoemde school werd voor vijftig procent gefinancierd dankzij privédonaties.

Donaties
Het idee om ‘Bethania’ op te richten kwam van de gemeente in Ekaterinoslav, die uit grote industriële mennonietenfamilies en publieke figuren bestond (de Thiessens, Toews, Fasts, Ezaus en Bergmans). Er werd een liefdadigheidsinstelling opgericht om ‘Bethania’ van de grond te krijgen. Al snel werd er anoniem 262.000 roebel in een fonds ondergebracht. Voor mensen met weinig geld was de behandeling kosteloos.

Mennonieten en niet-mennonieten
In Alt-Kronsweide (Chortyza) werdeen ziekenhuis gebouwd.Het opende zijn deuren in maart 1911, en had in december 1912 al 53 patiënten in behandeling. De meeste patiënten waren mennoniet,maar andere etnische groeperingen werden er ook verzorgd. ‘Bethania’ werd bestuurd onder leiding van de beroemde ondernemers J. Suderman en J. Lepp. Tussen 1911-1913 bereikte het fonds het bedrag van maar liefst 93.514 roebel, terwijl de jaarlijkse begrotingrond de 37.956 roebel zat. Daardoor kon er in 1915 een extra gebouw met een wasserette en een stoomketel worden gebouwd.Een jaar lang zorg verlenen aan een patiënt kostte driehonderd roebel. Vijftien patiënten kregen gratis zorg.

Foto: John A. Lapp, C. Arnold Snyder eds.: Testing Faith and Tradition. A Global Mennonite History: Europe. (Good Books, PA, 2006).

Vertaling: Eliza ten Kate