Geloof


Mennonieten – traditioneel modern met standvastige waarden?

Auteur: Beate Zipperer

In Beieren zijn de meeste mensen Rooms-katholiek, en ‘mennoniet zijn’ wordt gezien als iets exotisch. Wanneer kinderen naar school gaan en ook aan de bijbellessen meedoen, worden de ouders uitgedaagd dit aan anderen uit te leggen. Wat zijn, bijvoorbeeld, hun normen en waarden?

Familie?
We horen wel eens: ‘Zijn mennonieten een “gezinskerk”’? Louter omdat zij gevormd worden binnen het gezins- en familieleven.Of is er ook ruimte voor de verandering van de structuur van de gemeente? Wat is essentieel? In onze ogen worden normen en waarden ontleend aan de woorden van Jezus Christus, maar ook aan de ideeën van de vroege Reformatie. Kort samengevat gaat het hierom:

SolaScriptura – de bijbel is de enige basis van ons geloof (Galaten 2:6-9);
Solus Christus – alleen Jezus Christus heeft autoriteit over de gelovigen (Efeziers 5:23-24);
Sola Gratia – alleen door genade kan de mensheid gered worden (Romeinen 1:17);
SolaFide – alleen door geloof kan de mensheid gerechtvaardigd worden (Galaten 2:16).

Richtlijnen
Maar gemeenten bestaan ook uit mensen die blijven zoekennaar Gods beloften, waarbij zij zich laten inspireren door de heilige Geest. Daarom hebben vele kerken richtlijnen voorgeloof en leven, die telkens weer kunnen worden aangepast of uitgebreid. Samenvattend zijn de richtlijnen van onze plaatselijke gemeente:

Leef het geloof: Centraal staat voor ons de God van de bijbel.Het is de bedoeling dat wij in dienst van Hem leven. Zo zien wij de missie van alle christenen en kerken.

Leef het geloof: Keer je om naar je medemens. Jezus Christus laat ons Gods liefde zien, en hoe God wil dat we leven. Voor ons is niets belangrijker dan hem navolgen.

Leef het geloof: Ervaar hoe God in ons leven werkt, en maak daar ruimte voor vrij. De bijbel, zoals wij die onder de leiding van de heilige Geest begrijpen, is de richtlijn voor ons leven en wat we daarin uitdragen. God tot ons laten spreken via de bijbel, daarvoor is telkens nieuweontvankelijkheid nodig.

Leef het geloof: Met elkaar vormen we de gemeente, en daar nemen we verantwoordelijkheid voor. Passend bij onze talenten en mogelijkheden doen we mee aan het gemeenteleven, en zijn we onderdeel van de getuigenis van Jezus Christus.

Vertaler: Eliza ten Kate 

Hervormer

Auteur: Marius Romijn

Menno werd priester in de begintijd van de hervorming, toen ook de 'sacramentariërs' opkwamen (Zij wezen het misoffer af). Als kapelaan in Pingjum betwijfelde hij het miswonder, en ging hij de bijbel bestuderen. Inmiddels drong de doperse beweging hier door. Na de onthoofding van Sicke Freerks, die was herdoopt, ging Menno bovendien twijfelen aan de kinderdoop. Toch werd hij eind 1532 pastoor in Witmarsum; hij gold toen als een 'evangelisch prediker'.

 

Dit beginnende doperdom benadrukte de komende Eindtijd; de ware gelovigen moesten zuiver en weerloos leven, in een vlekkeloze gemeente. Een snelgroeiende groep dopers, onder Jan Matthijsz, naderhand Jan van Leyden, wilde zélf het 'Nieuwe Jeruzalem' vestigen, in de bisschopsstad Münster. Het stadsbestuur ging hierin mee, en men bewapende zich voor de verdediging, want de bisschop zou een heroveringsleger sturen.

 

Na een jaar ging dit Münsterse rijkje ten onder. Bij dopers geweld in Friesland waren ook mensen uit Menno's omgeving betrokken. De dopers waren in verwarring, en werden hevig vervolgd. Menno leefde nog comfortabel, maar voelde zich onvrij: 'Ik was in Egypte'. In 1536 trad hij uit de katholieke kerk, en moest ondergronds gaan. Na veel denken en praten, liet hij zich dopen.

 

In 1537 werd Menno tot 'oudste' aangesteld (doperse voorman). Geleidelijk werd hij een leider van de Nederlandse dopers, en verminderde de invloed van zijn concurrent David Joris. Er kwam een prijs op zijn hoofd; mensen die hem hadden gehuisvest, kostte dit het leven. Onderhand schreef hij boeken en traktaten; de overheid verbood die. Hij reisde nog wel rond, maar leefde uiteindelijk als balling in Holstein, met zijn vrouw Geertruyd en enkele kinderen.

 

Omdat voor de dopers de zuivere gemeente centraal stond, hanteerden ze de 'ban': Uitsluiting van leden met wangedrag, om hen via berouw terug te winnen voor de gemeente. De invloedrijke oudste Lenaert Bouwens, bande in Emden de man van Swaan Rutgers, en verbood haar de echtelijke omgang. Zij weigerde, om haar trouwbelofte niet te breken. Menno wilde dit schikken, maar Lenaert dreigde om ook hem te bannen. Menno gaf toe, waarop de meer rekkelijke 'waterlanders' zich afscheidden. Op zijn sterfbed uitte hij spijt, dat hij 'een knecht van mensen' was geweest.

 

Menno was een hervormer van de tweede generatie, geen geleerde zoals Luther, Zwingli en Calvijn. Als praktisch leider verenigde hij de vreedzame dopers in een zeer spannende periode. Aan het eind van zijn leven viel die eenheid in duigen.

 

Bron: Piet Visser, Sporen van Menno. Het veranderende beeld van Menno Simons en de Nederlandse mennisten (i.s.m. Nederland, Canada, de Verenigde Staten en Duitsland, 1996).

 

Getuigen van Gods Koninkrijk

Auteur: Fulco Y. van Hulst

Wat is het eigene van Nederlandse doopsgezinde ethiek – en hoe wordt dat zichtbaar? Het was de geliefde bijbeltekst van de Nederlandse kerkhervormer Menno Simons (1496-1561), leider van de doperse beweging: 1 Kor.3:11 ‘Er is geen ander fundament dan hetgeen gelegd is, namelijk Jezus Christus zelf’.  Nog steeds is Jezus  richtingwijzer voor de ethiek in dopers perspectief.

 

Bergrede

De doopsgezinde ethiek laat zich het best karakteriseren als een ‘Bergrede-ethiek’,  of als een ethiek van de navolging van Jezus. Een leven leiden zoals God dat bedoeld heeft, heeft bij doopsgezinden een centrale plaats. In het bijzonder zijn dat de aanwijzingen van Jezus in de Bergrede en zijn onderwijs in de gelijkenissen. De woorden van Jezus vestigen de aandacht op de liefde van God, en de zorg voor de kwetsbare naaste. De liefde voor de vijand als teken van overwinning op het kwaad en het geweld wordt ervaren als een richtlijn ‘hoe goed te leven’. De vredesethiek in het bijzonder is een belangrijk onderscheidend element van de Nederlandse doopsgezinde ethiek. Een goed voorbeeld van de wijze waarop doopsgezinden in het recente verleden die vredesethiek in praktijk brachten, is de actieve ondersteuning van gewetensbezwaarden die op grond van hun overtuigingen militaire dienst weigerden.

 

In de wereld

Het Nederlandse doperdom heeft zich voor een groot deel ontwikkeld in een verstedelijkte omgeving in wisselwerking met de sociaal-culturele bovenlaag van de samenleving. Die wisselwerking met de omringende cultuur is veel sterker geweest dan bijvoorbeeld elders in Europa waar doopsgezinden in een zelfgekozen isolement en vaak ook in een situatie van vervolging leefden. Nederlandse doopsgezinden hebben op deze manier de boodschap van rechtvaardigheid en vrede altijd actief en veelal op praktische wijze uitgedragen in de samenleving

 

Samenvattend kunnen we stellen dat de nadruk in de Nederlandse situatie ligt op de sociale ethiek: de gemeente als voorbode van Gods Koninkrijk van rechtvaardigheid en vrede. Enerzijds proberen gemeenten verantwoordelijkheid te nemen in en voor de samenleving bijvoorbeeld door diaconale projecten, of door zich actief te profileren als vredesgemeente. Anderzijds positioneert de gemeente zich steeds weer als een tegenover: zij probeert de wereld een spiegel voor te houden door de realiteit van Gods Koninkrijk zichtbaar te maken door actief te getuigen in woord en daad van Gods vrede.

 

 


Instellingen

Auteur: Theo Hege

De maatschappelijke hulpverlening vanuit de Franse gemeenten komt voort uit de grote maatschappelijke hulpacties van het Mennonite Central Commitee (MCC) die in Frankrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog begonnen.

Hulp aan invaliden
Tussen 1945-1946 spoorden de kerkelijke leiders de mennonieten gemeenten aan om hulp aan hun naasten te bieden. Deze benadering zorgde ervoor dat het eerdere werk ook na het vertrek van het MCC voortgezet kon worden. Zo werden de 'AssociationFraternelleMennonite' en de 'Association de Mont des Oiseaux' (Vogelberg) opgericht. In 1950 werd in Valdoie vlakbij Belfort een gebouw gekocht om een kindertehuis in te beginnen, en het jaar daarop werd een tweede kindertehuis aangekocht op de Mont des Oiseaux, vlakbij Wissembourg. De Mont des Oiseaux groeide uit tot een instelling waar zorg verleend wordt aan kinderen en volwassenen met een psychische of mentale handicap.

Geïnspireerd door het Amerikaanse mennonieten zendingswerk werd in 1953 de 'Mission MennoniteFrançaise' opgericht in Chatenay-Malabry, alwaar ook een gemeente werd gesticht. Tezelfdertijd steunden ze een plaatselijk initiatief voor zorg aan verstandelijk gehandicapte kinderen. Het samengaan van diaconale diensten en de evangelieverkondiging ging echter niet zonder slag of stoot. Maar uiteindelijk werd de vereniging 'Les Amis de l'Atelier' in 1961 opgericht, die in 2011 uitgroeide tot een stichting.

Steuncentrum en Buitenlandse Studenten
In 1966 zette de 'Mission MennoniteFrançaise' in Parijs een steuncentrum op voor werk en onderkomen. Tegenwoordig heet dit centrum 'Association des Institutions du DomaineEmmanuel' (AEDE). De omvang van deze vereniging is groot: 91 instellingen en diensten, 4.188 cliënten, 2.633 werknemers. Financiering komt over het algemeen uit openbare fondsen.Tevens opende de 'Mission MennoniteFrançaise' in 1976 nabij Parijs een opvanghuis voor buitenlandse studenten, dat in 1998 werd gesloten. In 1995 opende de mennonieten gemeente van Montbéliard een kleine noodopvang met twaalf studio's, de 'Maison d'Accueil de la Prairie'.

Toen in 1977 een gebouw werd gekocht om de mennonieten gemeente in Straatsburg te huisvesten, werd daarin een klein centrum met zeven kamers voor studenten geopend. In 2014 uitgebreid tot veertien kamers en negen studio's.


Vertaling: Eliza ten Kate 


Van individueel naar georganiseerd mededogen

Auteur: Frédéric de Coninck

Veel mensen in Frankrijk trekken een bedenkelijk gezicht bij maatschappelijke structuren die de mens in nood helpen, terwijl zij niet tegen individuele acties van mededogen jegens deze mensen zijn. Hoe kan dat?

Georganiseerd mededogen: de gemeente
Dat heeft onder anderente maken met het feit dat in de tijd van het Nieuwe Testament, de overheden de armenzorg niet als hun verantwoordelijkheid zagen. Het idee aan een georganiseerd mededogen kwam toentertijd eenvoudigweg niet bij de mensen op. Moeten we dan concluderen dat de schrijvers van het Nieuwe Testament alleen maar pleitten voor individuele acties van mededogen? Nee, dat niet. Toen de kwestie van steun aan weduwen te ingewikkeld werd voor de eerste christenen, vonden de apostelen het een heel normaal verschijnsel om zeven mensen aan te stellen die taak zorgvuldig te vervullen (Handelingen 6:1-6). Later, toen Paulus de eerste gemeenten adviseerde over hoe ze zich het best konden organiseren, legde hij de nadruk op de gave van de dienstbaarheid en op het schenken van barmhartigheid (Romeinen 12:7-8). In zijn eerste Brief aan de Corinthiërs somt hij als voorbeeld verscheidene gaven op om de ander te helpen (12:28). Petrus verdeelt ze simpelweg in twee categorieën: preken en dienen (1 Petrus 4:11).
Met andere woorden, ook al bestonden er in de eerste eeuw na Christus geen professionele maatschappelijk werkers, het leek toch gewoon te zijn dat de gemeente deze specifieke taak aan bepaalde mensen opdroeg.

De rol van christenen
Vandaag de dag wordt veel van het maatschappelijke werk, dat door christenen en niet-christenen wordt verricht, door de overheid gefinancierd. We kunnen ons daarom afvragen wat nog langer de specifieke taak van de christen is. Aan de ene kant ben ik positief over deze samenwerking, zolang er overeenstemming wordt bereikt over het doel van het project. Immers, in de Brief aan de Romeinen 12:18 lezen we: 'Probeer, voor zover het van u afhangt met iedereen in vrede te leven.' Het is onze taak altijd eerst naar die overeenstemming met anderen te zoeken. Aan de andere kant is het onze rol als christenen in de bres te springen voor wie verwaarloosd, genegeerd of verafschuwd worden en hen te laten horen. Zo worden ook wij vanuit onze opdracht gehoord.

Vertaling: Eliza ten Kate 


Martelaarschap

Auteur: Hermann Heidebrecht

Toen de bolsjewieken in 1917 de macht in Rusland eenmaal gegrepen hadden, bestreden zij de godsdienst op grote schaal. Geestelijken vormden in hun ogen een grote hindernis op de weg naar een communistische samenleving. Dit liep in de late jaren 1920 uit op de grootste vervolging van christenen in het Europa van de twintigste eeuw.

Vervolgingen
De werkelijke omvang van die vervolging werd pas in de jaren 1980 bekend. Een speciale staatscommissie publiceerde dat er gedurende het Sovjettijdperk ongeveer tweehonderdduizend geestelijken (priesters, geestelijk verzorgers, oudsten en diakenen) zijn vermoord. Nog eens driehonderdduizend predikanten en christenen werden opgesloten in gevangenissen en werkkampen. Ongeveer veertigduizend kerken werden vernield. Om de mennonieten nog meer te frustreren, werden er torenhoge belastingen opgelegd die zij niet konden opbrengen. Kerken werden in beslag genomen en verbouwd tot bioscopen, graanpakhuizen of werkplaatsen. Ook hun oudsten en predikers werden gearresteerd.

In de gevangenis
Dit gebeurde ook met oudste Jakob A. Rempel uit Grünfeld. Van 1906 tot 1912 studeerde hij theologie, taalkunde en filosofie aan de Universiteit van Bazel. Terug in Rusland werd Rempel leraar op een school, later op een universiteit. Hij sloeg het aanbod van een positie als hoogleraar op de Universiteit van Moskou af, omdat hij was verkozen tot oudste in zijn gemeente in Neu-Chortitza. In de jaren 1920 had Rempel de leiding over de [Russische] Doopsgezinde Broederschap. Hij onderhandelde met de regering om ervoor te zorgen dat de gemeenten konden blijven voortbestaan. In 1929 werd zijn familie gedeporteerd, en zijn bezittingen in beslag genomen, voor Rempel redenen genoeg om uit zijn woonplaats weg te vluchten. In november van dat jaar werd hij in Moskou gearresteerd en volgde een lange marteling van zeven maanden. Daarna werd bij nog eens veroordeeld tot tien jaar werkkamp.

Rempels laatste brieven
Een aantal jaren later wist hij te ontsnappen, maar kort daarna werd Rempel opnieuw gearresteerd. Hij zat gevangen tot 11 September 1941, de dag waarop hij samen met 156 andere gevangenen op bevel van Stalin werd vermoord. In één van zijn laatste brieven schrijft hij:

Ze kunnen me ketenen,  me slaan, mijn hoofd afhakken, maar niemand kan me mijn geloof afnemen, mijn kennis, de geschiedenis van mijn leven. Van boerenknecht tot professor, en daarna een nog hogere positie: het werken voor mijn gemeenschap. Ik ben nu op het hoogtepunt van mijn leven. Ik zal me er niet op doen voorstaan, noch zal ik mij onttrekken aan mijn gekozen pad. Ik buig slechts diep voor Diegene die mij deze weg voorgeschreven heeft.

Vertaling: Eliza ten Kate 


Mennonieten in hun nieuwe moederland: Rusland

Auteur: Johannes Dyck

Een groot deel van de huidige mennonieten gemeenschap in,onder meer,Centraal-Duitsland, komt uit Rusland. Hun achternamen klinken echter Fries en Vlaams. Reeds in de stormachtige zestiende eeuw vluchtten hun voorouders vanuit de Nederlanden naar veiliger oorden in de omgeving van Danzig. Later, toen dat gebied onder Pruisisch gezag kwam te staanen ze opnieuw onderdrukt werden vanwege hun geloof, vonden ze in Rusland een nieuw onderkomen.

Een warm welkom
In 1789 verwelkomde Rusland de eerste groep mennonieten met open armen. Het tsaristische bewind huisvestte hen in autonome nederzettingen, zogenaamde koloniën, en beloofdehen godsdienstvrijheid en vrijstelling van militaire dienst. De eerste grotere mennonieten kolonie werdChortitza aan de Dnjepr. Dat Rusland hen omarmde, blijkt wel uit de inwilliging door de regering van het verzoek van de mennonieten om meer land. Zij kregen twee keer zoveel land, als de andere kolonisten uit Duitsland. In 1804 kwam eenvolgende grote groep uit Pruisen naar Rusland. Zij stichtten een koloniein Molotschna. Een aantal kleinere groepen volgde. In 1859 vond de laatste migratie plaats.

Hardwerkende kolonisten
De hardwerkende mennonieten veranderden de onontgonnen grond van de steppes in een bloeiend landschap. Zuid-Ruslandkreeg daardoor bekendheid als 'de graanschuur van Europa'. De fabriekjes die zij startten, ontwikkelden zich van generatie op generatie tot een bloeiende industrie met een sterke positie op de binnenlandse markt. Zo werden de originele nederzettingen na verloop van tijd te klein voor de groei van de mennonietenbevolking. Daarom trokken ze verder naar het oosten tot in Siberië, het Aziatische deel van Rusland. In het begin van de twintigste eeuw hadden zij daar grote koloniën gevestigd.
Door alle tijden heen zijnde veerkracht, om zich telkens weer in nieuwe, onherbergzame gebieden te vestigen, en hun vermogen om deze bewoonbaar en vruchtbaar te maken, een belangrijk kenmerk van de mennonieten geweest.

Duitsland Moederland
Vlak voor het begin van de Eerste Wereldoorlog en de Russische revolutie van 1917, behoordende mennonieten in Rusland tot de meest vooruitstrevende leden van de wereldwijde doperse familie. De koloniën die zijnbewoonden veranderden gaandeweg in Duitse eilandjes te midden van het multi-etnische Russische Rijk. De sterke gevoelsband met hun moederland Duitsland bleef altijd bestaan.

Meer over de mennonieten in Rusland is te vinden in de Global Anabaptist Mennonite Encyclopedia Online (http://www.gameo.org)

Vertaling: Eliza ten Kate 


De schuilplaats van Menno Simons

Auteur: Hans-JürgenGoertz

Aan de noordkant van het dorpje Bad Oldesloe in Duitsland, onder een majestueuze lindeboom, bevindt zich een witgekalkt huisje met een rieten dak, de ‘Menno Kate’. De Kate is een herinnering aan de laatste jaren van Menno Simons (1496-1561), die de mennonieten hun naam gaf. Nadat Menno in 1544 uit de stad Wismar verbannen was, vond hij onderdak op het landgoed Fresenburgnabij Wüstenfelde, waar hij in alle rust aan zijn publicaties kon werken. Hier schreef hij brieven aan gemeenten en besprak hij controversiële onderwerpen zoals kerkelijke tucht met andere kerkelijke leiders.

De geheime boekdrukkerij
Menno Simons woonde op het landgoed samen met een groep dopers die toestemming hadden gekregen om zich daar te vestigen. Het dorpje Wüstenfelde werd later tijdens de Dertigjarige Oorlog verwoest. Het is niet zeker of de ‘Menno Kate’ van nu deze oorlog heeft overleefd of op precies dezelfde plek weer is opgebouwd. Men denkt dat Menno hier woonde in de periode van het drukken. In de lente van 1554 en in de zomer van 1556 kreeg hij toestemming om de drukkerij te gebruiken. Ondanks het algemene verbod op het drukken van doperse literatuur, weten we dat vier van zijn boeken, waaronder zijn beroemde Fundamentenboek in deze tijd zijn uitgegeven. Nadat de drukkerij voorgoed gesloten was bleef Menno wonen in Wüstenfelde. Hij overleed op 13 januari 1561, en is naar verluidt begraven in een koolveld, vijf kilometer verwijderd van de Menno Kate.

Van schuilplaats naar museum
Sinds 1902 staan er ter nagedachtenis aan Menno Simons,een gedenksteen en een bronzen plaquettebij de ‘Menno Kate’. Het huisje staat op de monumentenlijst. Het wordt gehuurd door de Vereniging van Duitse Mennonieten Gemeenten en wordt onderhouden door de Duitse ‘doopsgezinde’ Historische Kring. In de jaren zestig van de vorige eeuw is het gerestaureerd en ingericht als klein museum, waar boeken, kaarten en afbeeldingen uit de rijke geschiedenis van de mennonieten tentoongesteld worden. In 1986 werd het verder gerenoveerd, en sinds 1999 is het open voor bezoekers.

Symbool van verzoening
De bejaarde lindeboom die volgens sommigen door Menno zelf is geplant, wordt de Menno-Linde genoemd. Een aantal jaar geleden werden twee beuken, één vlakbij het huisje en één in Wittenberg, geplant door mennonieten. Beide bomen bevestigen de recente verzoening tussen de lutherse kerken en de mennonieten.

Vertaling: Eliza ten Kate 


Bouwmeester en kunstenaar

Auteur: Paul F. Thimm

In Gdansk kom je sporen tegen van een doperse bouwmeester- en kunstenaarsfamilie Van den Blocke. Hanzestad Danzig (Gdansk) was een van de rijkste en mooiste steden in Noord-Europa.

Willem was de zoon van beeldhouwer François van den Blocke, uit Mechelen, België. Samen met broer Egidius trokken zij naar Danzig. Men zocht naar vaklui die de trots van deze stad omzetten in bouwwerken. Grote bekendheid verwierf hij met de opdracht voor de Hooglandse Poort, beginpunt van de ‘Koninklijke Route’ door de binnenstad. Hij versierde die met natuursteen, wapens van Polen, Pruisen en de stad. In Oliva maakte hij de graftombe voor de familie Kos. In Königsberg is ook een graftombe van hem.

Zoon Abraham, architect en beeldhouwer, werkte mee aan de Artushof en de Neptunusfontein, en vervaardigde de marmeren graftombe voor markies Bonifacio in de Drievuldigheidskerk. Verder ontwierp hij het Gouden Huis van burgemeester Speimann en de Gouden Poort. Zoon Isaac maakte schilderijen in de Catharinakerk en in de ‘Rode Zaal’ van het raadhuis, daarnaast afbeeldingen op altaar en kansel in de Mariakerk. Samen met broer Jacob, timmerman, werkten ze aan de erepoort voor koning Sigismund.

Nieuwkomers verwierven het burgerrecht van Danzig door de burger-eed te zweren, zoals Egidius en Willems zonen Abraham, Jacob en David. Om die reden zijn zij waarschijnlijk luthers geworden, daar mennonieten geen eden zweren.

Waarschijnlijk bleven Willem en zijn zoon Isaac mennoniet. Kenmerkend hiervoor is dat Willem zijn drie zoons vernoemde naar de aartsvaders. Ook zijn ‘Vermeulenbijbel’ wijst daarop, die tekstueel overeenstemt met de ‘Biestkensbijbel’ van doperse makelij. De Danziger koopman Krijn Vermeulen liet  deze drukken voor zijn Nederlandstalige geloofsgenoten. Op dit exemplaar staan Willems naam en het jaartal 1607 vermeld.

Isaac verzocht om zijn vak uit te mogen oefenen zonder eed te hoeven zweren. Zijn mennoniet-zijn vinden we terug in zijn plafondschilderij van het raadhuis. God is daarop niet afgebeeld, maar met een arm uit de hemel en de vier letters van de Godsnaam aangeduid.

Bronnen:
Horst Penner, ‘Niederländische Täufer formen als Baumeister, Bildhauer und Maler mit an Danzigs unverwechselbarem Gesicht‘, in: Mennonitische Geschichtsblätter (MGB), 26. Jg. 1969, S.12-26.
Horst Penner, ‘Kunst und Religion bei Wilhelm und Isaac von dem Block‘, in: MGB 27.Jg. 1970, S. 48-50.
Rainer Kolbe, ‘Wie mennonitisch war die Danziger Künstlerfamilie von Block?‘, in: MGB 66. Jg. 2009, S.71-84.
Rainer Kolbe, ‘Die Vermeulen-Bibel des Wilhelm von den Blocke von 1607‘, in: MGB 67. Jg. 2010, S.69-75. Nachtrag zu dem Artikel “Wie mennonitisch war die Danziger Künstlerfamilie von Block?“, in: MGB 66 (2009). 


Trends en invloeden in de geloofsuiting


Auteur: Lukas Amstutz

Wie de veertien Zwitserse mennonieten gemeenten bezoekt zal al snel merken dat ze heel divers zijn. De stijl van de viering en de theologische overtuigingen variëren niet alleen tussen, maar ook binnen de gemeenten. Aan de ene kant komt deze diversiteit voort uit een hoge mate van autonomie in geloof en gemeentepraktijk. Aan de andere kant, als we deze diversiteit dichterbij bekijken ontdekken we een grote verscheidenheid aan theologische en spirituele invloeden en trends, zowel uit het verleden als uit het heden.

Piëtisme
In de negentiende eeuw raken veel gemeenten geïnspireerd door opwekkingsbewegingen. In SanktChrischona in de buurt van Bazel,wordteen groot aantal mennonieten geïnspireerd door het piëtistische seminarie dat daar in die tijd gesticht wordt. Zodoende komt er in veel gemeenten een piëtistisch klimaat met nadruk op bekering, dagelijkse godsdienstoefeningen en morele integriteit. Evangelisatie en buitenlandse missie hebben een hoge prioriteit, zo ook samenwerking met de ‘Evangelische Allianz’. Gaandeweg past men zich ook aan de wet- en regelgeving van de staat aan.Militaire dienstweigering op grond van gewetensbezwaarden, schuift in de negentiende eeuw naar de achtergrond.

Nieuwe invloeden
Na de Tweede Wereldoorlog brengen Noord-Amerikaanse mennonieten nieuwe invloeden. Geïnspireerd door de wederdopers uit de zestiende eeuw, hechtten zij veel waarde aan de navolging van Christus, saamhorigheid in de gemeente en geweldloosheid. Om de bijbelse, theologische en historische oorsprong van deze elementen in de gemeenten te versterken, wordt in 1950 de EuropäischeMennonitischeBibelschuleopgericht, nu als theologisch seminarie gevestigd op de BienenbergbijLiestal. In die jaren leidden doperse overtuigingen ertoe dat mennonietentoch weer gaan lobbyen voor vervangende dienstplicht, een proces dat vele jaren duurt maar in 1992 eindelijk gelegaliseerd wordt. Ondertussen is men zich ervan bewust dat het vredesgetuigenis meer is dan alleen dienstweigeren. Humanitaire hulp is daar zeker een onderdeel van, evenals conflictbemiddeling en het stimuleren van sociale gerechtigheid. Samen met andere kerken en organisaties worden activiteiten op dit gebiedondernomen.

Geloofsuitingen
In vieringen en kerkdienstenuit men zich tegenwoordig vaak in eenemotionele relatie met Godin de overtuiging dat de heilige Geest de mensen kan beroeren, ook door wonderen. Gevarieerde geloofsuitingen zijn onderdeel van de huidige Zwitserse mennonieten gemeenten. Of ze volledig onafhankelijke concurrenten blijven, of elkaar zullen aanvullen en omvormen tot een nieuwe eenheid in verscheidenheid, zal de tijd moeten leren.

Vertaling: Eliza ten Kate


Werk

Auteur: Svietlana Bobileva

De koloniën van de mennonieten in het Russische Rijk bevonden zich in een gebied waar de opbrengst van de landbouw niet zeker was. Een gebrek aan regen en perioden van extreme droogte gaven de akkers soms een triest aangezicht. Echter, in de goede jaren konden de rogge en de tarwe wel tot je middel groeien. De mennonieten oogstten met zo min mogelijk verlies. Ze bereidden hun gereedschap en machines zorgvuldig voor, en zorgden dat alles gereed was op Mid-zomerdag (24 juni). Op die dag vertrokken de maaiers van de boerderijen met hun wagens volgeladen met hooivorken, harken, voedsel en waternaar het land. Er werden grote stapels van de tarweschoven gemaakt. Voor het werk moest je sterk zijn en een goed uithoudingsvermogen hebben, want de machines gingen non-stop door. Bovendien was er maar eenmaal per dag pauze.

Overnachten op het land
Het oogsten duurde de hele dag. Om geen tijd te verliezen kampeerden de boeren op het veld. 's Avonds gingen enkele wagens terug naar het dorp om water en voedsel voor de volgende dag te halen. Door dit strakke schema konden de boeren de oogst in zes tot acht dagen binnen halen.

Dorsen
Ondertussen bereidden mensen in het dorp het dorsen voor. Zij gebruikten 'garbos' – grote karren. De korte stokken ('langvids'), die de voorwielen van de karren met de achterwielen verbonden, werden vervangen door lange stokken. De arbeiders bevestigden tevens twee anderhalf meter hoge ladders aan beide zijden van de kar. Zo werd de geoogste tarwenaar de plaats gebracht waar dors-stenen door twee, in een cirkel lopende paarden werden getrokken. Het dorsen duurde acht tot tien dagen.

Een dag werken is een jaar eten
Langzaam maar zekerdrongook de technologie tot de mennonieten door. Zij gingen over op dorsmachines, dieze vanwege de hoge kosten huurden voor één of twee dagen. Om het vele werk in een korte tijd te verzetten, huurden de eigenaars van het land tien tot vijftien Oekraïense arbeiders uit nabijgelegen dorpen in. Zij werkten vanaf drie uur in de vroege ochtend tot tien à elf uur in de late avond. Het werk betaalde goed en de mennonieten gaven hun werknemers altijd te eten. Niemand deed moeilijk over deze lange dagen, want iedereen wist dat 'een dag werken een jaar eten' was. De oogsttijd was een zware, maar belangrijke tijd van het jaar. Het gaf de mennonieten hoop voor het volgende jaar, en bracht vreugde in hun leven.

Foto: John A. Lapp, C. Arnold Snyder eds.: Testing Faith and Tradition. Global Mennonite History Series: Europe. (Good Books, PA, 2006).

Vertaling: Eliza ten Kate