Gebouwen

Auteur: Svietlana Bobileva

De nederzettingen van de mennonieten bestonden uit dichtbij elkaar gebouwde dorpjesmet elkaar verbondendoor een enkele weg.Meestal waren zelangs de oevers van een riviergesitueerd, volgens officieel goedgekeurde plannen. In de loop van de tijd werdende nederzettingen groter, en kregen ze hun eigen infrastructuur: werkplaatsen voor ambachtslieden, fabrieken, winkels, kerken en scholen.

Netjes en goed onderhouden
Centrale as in de dorpen was de verharde hoofdstraat. Er waren greppels om regenwater af te voeren, en betegelde stoepen. De straat zag er netjes en goed onderhouden uit. Alle nederzettingen hadden grote grasvelden en tuinen. In de voortuintjes bloeiden bloemen. De kerk (het gebedshuis) en de school stonden middenin het dorp. De school was vaak een mooi gebouw van twee verdiepingen, met grote ramen, brede trappen en tegelvloeren.

Bouwmateriaal
De huizen waren gebouwd van adobe (blokken gedroogde klei) of baksteen, en soms waren er vakwerkhuizen. De schoorstenen bouwde men in de vloer van de zolder om beter profijt van warme lucht te verkrijgen. In de schoorsteen werd meestal ook een rookplaats gebouwd. De voorgevels van de huizen waren negen meter hoog en van baksteen. Daken hadden punten, en waren bedekt met tegels, metaal of dakspannen. De houten vloeren waren meestal geverfd; de ongeverfde vloeren werden door de huisvrouwen geschrobd en gepoetst. Soms waren de vloeren van aangestampte aarde. Elk huis had een kelder; vierkant of gewelfd.

Indeling van huizen en tuinen
De afmeting van het erf was ongeveer veertigbreed bij 100-120 meterdiep. Tussen de boerenerven stonden hekken die twee keer per jaar “gebleekt” werden. De huizen waren meestal gelijkvloers, negen tot achttien meter breed, en keken uit op de hoofdstraat. Elk huis had twee ingangen. De voordeur keek uit op de binnenplaats, de achterdeur leidde via een gang naar de stal en dan naar een tweede deur, een paar meter verwijderd van de hoofdingang. Rondom de haard in het midden van het huislagen vier kamers. Er werd onderscheid gemaakt tussen gemeenschappelijke ruimten en woon-en kookruimten. Het traditionele meubilair bestond uit uitschuifbedden (‘shlopani’), dressoirs, sofa's, houten banken, garderobekasten en kisten.

Watervoorziening
Op de erven en in de stallenbevonden zich waterputten. Wanneer het grondwater niet goed was, werden er bassins gebouwdvoor regenwater,afgedekt met een houten plaat, of er werd water gedestilleerd. Soms werden ergemeenschappelijke putten gebouwd langs de kant van de weg.

Vertaling: Eliza ten Kate