Werk

Auteur: Svietlana Bobileva

De koloniën van de mennonieten in het Russische Rijk bevonden zich in een gebied waar de opbrengst van de landbouw niet zeker was. Een gebrek aan regen en perioden van extreme droogte gaven de akkers soms een triest aangezicht. Echter, in de goede jaren konden de rogge en de tarwe wel tot je middel groeien. De mennonieten oogstten met zo min mogelijk verlies. Ze bereidden hun gereedschap en machines zorgvuldig voor, en zorgden dat alles gereed was op Mid-zomerdag (24 juni). Op die dag vertrokken de maaiers van de boerderijen met hun wagens volgeladen met hooivorken, harken, voedsel en waternaar het land. Er werden grote stapels van de tarweschoven gemaakt. Voor het werk moest je sterk zijn en een goed uithoudingsvermogen hebben, want de machines gingen non-stop door. Bovendien was er maar eenmaal per dag pauze.

Overnachten op het land
Het oogsten duurde de hele dag. Om geen tijd te verliezen kampeerden de boeren op het veld. 's Avonds gingen enkele wagens terug naar het dorp om water en voedsel voor de volgende dag te halen. Door dit strakke schema konden de boeren de oogst in zes tot acht dagen binnen halen.

Dorsen
Ondertussen bereidden mensen in het dorp het dorsen voor. Zij gebruikten 'garbos' – grote karren. De korte stokken ('langvids'), die de voorwielen van de karren met de achterwielen verbonden, werden vervangen door lange stokken. De arbeiders bevestigden tevens twee anderhalf meter hoge ladders aan beide zijden van de kar. Zo werd de geoogste tarwenaar de plaats gebracht waar dors-stenen door twee, in een cirkel lopende paarden werden getrokken. Het dorsen duurde acht tot tien dagen.

Een dag werken is een jaar eten
Langzaam maar zekerdrongook de technologie tot de mennonieten door. Zij gingen over op dorsmachines, dieze vanwege de hoge kosten huurden voor één of twee dagen. Om het vele werk in een korte tijd te verzetten, huurden de eigenaars van het land tien tot vijftien Oekraïense arbeiders uit nabijgelegen dorpen in. Zij werkten vanaf drie uur in de vroege ochtend tot tien à elf uur in de late avond. Het werk betaalde goed en de mennonieten gaven hun werknemers altijd te eten. Niemand deed moeilijk over deze lange dagen, want iedereen wist dat 'een dag werken een jaar eten' was. De oogsttijd was een zware, maar belangrijke tijd van het jaar. Het gaf de mennonieten hoop voor het volgende jaar, en bracht vreugde in hun leven.

Foto: John A. Lapp, C. Arnold Snyder eds.: Testing Faith and Tradition. Global Mennonite History Series: Europe. (Good Books, PA, 2006).

Vertaling: Eliza ten Kate