Oekraïne

Talen: Oekraïens (officieel) 67%, Russisch (regionaal gesproken) 24%

Religies: Orthodox 66%, Grieks Katholiek: 10%

Bevolking: 44 miljoen

Hoofdstad: Kiev

Doopsgezinden in Oekraïne

Aantal doopsgezinde Gemeenten: 7

Ondernemer en hervormer

Auteur: Nataly Venger

Johan Cornieswas in Rusland actief in de handel, de schapenfokkerij, en de bierbrouwerij. Daarnaast was hij de eigenaar van een klein bedrijf. De winst van zijn agrarische bedrijf investeerde hij in de groei van de industrie, wat een beslissende factor zou worden voor de voorspoed van de nederzettingen. Door zijn succesvol ondernemerschap verwierf Cornies openbare steun en aanzien: hij werd een alom geprezen vertegenwoordiger van de mennonieten.

Ook door de Russische overheid werd hij gewaardeerd.Zij ondersteunde Corniesbij het doorvoeren van hervormingen in de mennonieten kolonies. Zijn ideeën weken af van die van J. Warkentin, een kerkelijk leider die de gemeenten geïsoleerd wilde houden, en niet met de Russische elite wenste samen te werken. wilde samenwerken.

Leider van de nederzettingen en van verenigingen
Johannes Cornies begon zijn loopbaan in 1871, toen hij benoemd werd als leider van de nieuwe nederzettingen uit Danzig. Daarna kwamen ook de emigrantenkoloniën van Wittenberg onder zijn leiding te staan. Vanaf 1825 werkte hij aan het 'Nogan Project', wat als doel had om de Nogay bevolking beschaving bij te brengen. Cornies bleek over uitstekende bestuurskwaliteiten te beschikken, evenals over het vermogen om de juiste balans te vinden tussen de eisen van de Russische overheid en de belangen van een traditionele samenleving. Als leider van de Bosbouwvereniging (1830) en de Landbouwvereniging (1836) had hij de leiding over veel projecten die verband hielden met economische vooruitgang.

Een nieuw plan en Neu-Halbstadt
Toen er steeds meer gebrek aan land kwam en het aantal ‘landlozen’ onder de mennonieten groeide, stelde Cornies een nieuw plan op waarbij stukjes land in de buitenwijken van de nederzettingen voor gemeenteleden werden gereserveerd. Ook schonk hij 100.000 roebel van zijn eigen spaargeld om de nieuwe kolonie Neu-Halbstadt te stichten. Cornies was een privé-bankier die geld leende aan mennonieten en Duitse ondernemers, aan Russische landeigenaren en politici. Ook zorgde hij ervoor dat degemeenschappen geld leenden aan jonge ondernemers. Met succes reorganiseerde hij het onderwijssysteem, en hij kreeg ambachtslieden met een mennonieten afkomst zo ver dat ze hun vaardigheden aan Bulgaarse jongeren leerden.

Op de toekomst gericht
Als piëtistische mennoniet, geloofde Corniesin de bevordering van gerechtigheid en eensgezindheid, zowel binnen de gemeenten als in de nederzettingen. Zijn tolerante, maar ook autoritaire houding,zorgden ervoor dat hij positieve veranderingen wist te bewerkstelligen. Hij was er van overtuigd dat de toekomst van de nederzettingen in een gemoderniseerd Rusland afhing van de marktontwikkelingen. Het resultaat van zijn succesvolle projecten was dan ook merkbaar in de decennia die erop volgden.

Vertaling: Eliza ten Kate 

 


'Een man met een missie'

Auteur: Nataly Venger 

Jacob Hoeppner was mennoniet en ondernemer in Pools Pruisen. Hij speelde een actieve rol in de migratie van de mennonieten naar Rusland. Hij geloofde in de mogelijkheden en de voordelen van de migratie, en wist andere vertegenwoordigers van de gemeenschap hiervoor te interesseren. Zijn vastberadenheid en zijn steun voor één van de grootste migratieprojecten was het begin van een nieuw tijdperk in de geschiedenis van de Europese mennonieten. Hoe kwam hij hiertoe?

In Danzig dreef Hoeppner een klein winkeltje en een herberg. George vonTrappe, een afgezant van de Russische regering, was klantbij hem. Onder de indruk van Hoeppners zakelijke vaardigheden, verteldehij hem over het ‘Manifest’ van Catharina II dat emigreren moest bevorderen. Dit kwam op een moment, dat de omstandigheden voor de mennonieten in Pools Pruisen, onder het bewind van Keizer Frederik II, steeds slechter werden. Demennonietengemeente Danzig drongen er bijHoeppner en zijn collega Johann Bartschdan ook op aan om een bezoek aan Rusland te wagen. De gemeente wilde meer duidelijkheid over de voorwaarden voor migratie, en of er geschikt land was. Met deze opdracht vertrokken Hoeppner en Bartsch in de herfst van 1786. Het daarop volgende jaar vonden ze een goede vestigingsplaats in de buurt van Beryslav.Met dank aan onderhandelingen met staatsman G. Potemkin, ondertekende Catharine II in 1788 hiertoe een formeel document met de titel ‘Privileges’.

Deze 'Privileges' waarborgden emigranten geloofsvrijheid en zelfbestuur. Enhet stimuleerde zowelmensenrechten als goede financiële garanties. Het document beloofde de mennonieten land, krediet en het recht op ondernemerschap. Ook was daarin het recht geregeld om molens, die met staatssubsidie gebouwd warente erven, evenals het recht op bezit van winkels, brouwerijen en azijnmakerijen.

Tussen 1787-1788 kwam de eerste groep van emigranten naar Rusland. Echter, onderweg naar Beryslav veranderde de Russische overheid de beloofde plaats van hun toekomstige nederzettingen wegens de dreigende opmars van het Ottomaanse Rijk. Dit viel niet in goede aarde bij de mennonieten die Hoeppner en Bartschbeschuldigden van bedrog.Het nieuwe land in Chortitzableek langniet zo vruchtbaar als in Beryslav. Hoeppner werd uit zijn gemeente geëxcommuniceerden gevangen genomen. Later, onder het nieuwe bewind van keizer Alexander I, werd Hoeppnergerehabiliteerd en weer in degemeente opgenomen. Hij bracht de laatste jaren van zijn leven door in de Kronsweide kolonie.

Volgens het Mennonite Heritage Village in Steinbach (Canada) werd er in 1890 een gedenksteen op Hoepnners graf gezet, ter markering van een nieuwe fase in de geschiedenis van de Europese mennonieten. In de jaren 1960 werd deze steen van Oekraïne naar Canada overgeplaatst.

Vertaling: Eliza ten Kate

 

 


Gebouwen

Auteur: Svietlana Bobileva

De nederzettingen van de mennonieten bestonden uit dichtbij elkaar gebouwde dorpjesmet elkaar verbondendoor een enkele weg.Meestal waren zelangs de oevers van een riviergesitueerd, volgens officieel goedgekeurde plannen. In de loop van de tijd werdende nederzettingen groter, en kregen ze hun eigen infrastructuur: werkplaatsen voor ambachtslieden, fabrieken, winkels, kerken en scholen.

Netjes en goed onderhouden
Centrale as in de dorpen was de verharde hoofdstraat. Er waren greppels om regenwater af te voeren, en betegelde stoepen. De straat zag er netjes en goed onderhouden uit. Alle nederzettingen hadden grote grasvelden en tuinen. In de voortuintjes bloeiden bloemen. De kerk (het gebedshuis) en de school stonden middenin het dorp. De school was vaak een mooi gebouw van twee verdiepingen, met grote ramen, brede trappen en tegelvloeren.

Bouwmateriaal
De huizen waren gebouwd van adobe (blokken gedroogde klei) of baksteen, en soms waren er vakwerkhuizen. De schoorstenen bouwde men in de vloer van de zolder om beter profijt van warme lucht te verkrijgen. In de schoorsteen werd meestal ook een rookplaats gebouwd. De voorgevels van de huizen waren negen meter hoog en van baksteen. Daken hadden punten, en waren bedekt met tegels, metaal of dakspannen. De houten vloeren waren meestal geverfd; de ongeverfde vloeren werden door de huisvrouwen geschrobd en gepoetst. Soms waren de vloeren van aangestampte aarde. Elk huis had een kelder; vierkant of gewelfd.

Indeling van huizen en tuinen
De afmeting van het erf was ongeveer veertigbreed bij 100-120 meterdiep. Tussen de boerenerven stonden hekken die twee keer per jaar “gebleekt” werden. De huizen waren meestal gelijkvloers, negen tot achttien meter breed, en keken uit op de hoofdstraat. Elk huis had twee ingangen. De voordeur keek uit op de binnenplaats, de achterdeur leidde via een gang naar de stal en dan naar een tweede deur, een paar meter verwijderd van de hoofdingang. Rondom de haard in het midden van het huislagen vier kamers. Er werd onderscheid gemaakt tussen gemeenschappelijke ruimten en woon-en kookruimten. Het traditionele meubilair bestond uit uitschuifbedden (‘shlopani’), dressoirs, sofa's, houten banken, garderobekasten en kisten.

Watervoorziening
Op de erven en in de stallenbevonden zich waterputten. Wanneer het grondwater niet goed was, werden er bassins gebouwdvoor regenwater,afgedekt met een houten plaat, of er werd water gedestilleerd. Soms werden ergemeenschappelijke putten gebouwd langs de kant van de weg.

Vertaling: Eliza ten Kate 


Werk

Auteur: Svietlana Bobileva

De koloniën van de mennonieten in het Russische Rijk bevonden zich in een gebied waar de opbrengst van de landbouw niet zeker was. Een gebrek aan regen en perioden van extreme droogte gaven de akkers soms een triest aangezicht. Echter, in de goede jaren konden de rogge en de tarwe wel tot je middel groeien. De mennonieten oogstten met zo min mogelijk verlies. Ze bereidden hun gereedschap en machines zorgvuldig voor, en zorgden dat alles gereed was op Mid-zomerdag (24 juni). Op die dag vertrokken de maaiers van de boerderijen met hun wagens volgeladen met hooivorken, harken, voedsel en waternaar het land. Er werden grote stapels van de tarweschoven gemaakt. Voor het werk moest je sterk zijn en een goed uithoudingsvermogen hebben, want de machines gingen non-stop door. Bovendien was er maar eenmaal per dag pauze.

Overnachten op het land
Het oogsten duurde de hele dag. Om geen tijd te verliezen kampeerden de boeren op het veld. 's Avonds gingen enkele wagens terug naar het dorp om water en voedsel voor de volgende dag te halen. Door dit strakke schema konden de boeren de oogst in zes tot acht dagen binnen halen.

Dorsen
Ondertussen bereidden mensen in het dorp het dorsen voor. Zij gebruikten 'garbos' – grote karren. De korte stokken ('langvids'), die de voorwielen van de karren met de achterwielen verbonden, werden vervangen door lange stokken. De arbeiders bevestigden tevens twee anderhalf meter hoge ladders aan beide zijden van de kar. Zo werd de geoogste tarwenaar de plaats gebracht waar dors-stenen door twee, in een cirkel lopende paarden werden getrokken. Het dorsen duurde acht tot tien dagen.

Een dag werken is een jaar eten
Langzaam maar zekerdrongook de technologie tot de mennonieten door. Zij gingen over op dorsmachines, dieze vanwege de hoge kosten huurden voor één of twee dagen. Om het vele werk in een korte tijd te verzetten, huurden de eigenaars van het land tien tot vijftien Oekraïense arbeiders uit nabijgelegen dorpen in. Zij werkten vanaf drie uur in de vroege ochtend tot tien à elf uur in de late avond. Het werk betaalde goed en de mennonieten gaven hun werknemers altijd te eten. Niemand deed moeilijk over deze lange dagen, want iedereen wist dat 'een dag werken een jaar eten' was. De oogsttijd was een zware, maar belangrijke tijd van het jaar. Het gaf de mennonieten hoop voor het volgende jaar, en bracht vreugde in hun leven.

Foto: John A. Lapp, C. Arnold Snyder eds.: Testing Faith and Tradition. Global Mennonite History Series: Europe. (Good Books, PA, 2006).

Vertaling: Eliza ten Kate 


Liefdadigheidsprojecten

Auteur: Nataly Venger

De sociale projectendie mennonieten organiseerden, gaven blijk van een hoge graad van medemenselijkheid. Zij wisten als geen ander om mensen die in het nauw zaten weer bij de gemeenschap te betrekken. Ook de economische status van hun gemeenschappen was van een belangwekkend niveau. Daardoor vervulden zij een voorbeeldfunctie voor heel Rusland.

De gemeenschap dienen
Volgens hun ethiek moest geld ‘leven’ en gebruikt worden voor nuttige dingen.Rijkdom was een middel om de gemeenschap in liefde te dienen. Het financiële vermogen van de gemeenten werd gebruikt voor het beheren van,wat in Rusland wel,'instellingen van openbare liefdadigheid' werden genoemd.

Scholen, ziekenhuizen en verzorgingshuizen
Belangrijke instellingen voor rehabilitatie waren, vanaf 1914:een school voor mensen met hoor- en spraakstoornissen in Tiege, een verzorgingshuis en het ‘Bethania’ psychiatrisch ziekenhuis – vanwege het veelvuldig voorkomen van onderlinge huwelijken was er een groot aantal mensen met mentale problemen.
Deze instellingen werden financieel gesteund door de rijkste mensen in de gemeenschap. Zowel 'Bethania' als de voornoemde school werd voor vijftig procent gefinancierd dankzij privédonaties.

Donaties
Het idee om ‘Bethania’ op te richten kwam van de gemeente in Ekaterinoslav, die uit grote industriële mennonietenfamilies en publieke figuren bestond (de Thiessens, Toews, Fasts, Ezaus en Bergmans). Er werd een liefdadigheidsinstelling opgericht om ‘Bethania’ van de grond te krijgen. Al snel werd er anoniem 262.000 roebel in een fonds ondergebracht. Voor mensen met weinig geld was de behandeling kosteloos.

Mennonieten en niet-mennonieten
In Alt-Kronsweide (Chortyza) werdeen ziekenhuis gebouwd.Het opende zijn deuren in maart 1911, en had in december 1912 al 53 patiënten in behandeling. De meeste patiënten waren mennoniet,maar andere etnische groeperingen werden er ook verzorgd. ‘Bethania’ werd bestuurd onder leiding van de beroemde ondernemers J. Suderman en J. Lepp. Tussen 1911-1913 bereikte het fonds het bedrag van maar liefst 93.514 roebel, terwijl de jaarlijkse begrotingrond de 37.956 roebel zat. Daardoor kon er in 1915 een extra gebouw met een wasserette en een stoomketel worden gebouwd.Een jaar lang zorg verlenen aan een patiënt kostte driehonderd roebel. Vijftien patiënten kregen gratis zorg.

Foto: John A. Lapp, C. Arnold Snyder eds.: Testing Faith and Tradition. A Global Mennonite History: Europe. (Good Books, PA, 2006).

Vertaling: Eliza ten Kate


Tijdens de Tweede Wereldoorlog  (1941-1945)

Auteur: Svietlana Bobileva

In de jaren dertig van de twintigste eeuw was er in de gehele Sovjet-Unie politieke onderdrukking. Stalin steunde de activiteiten van de staatspolitie, en begon een campagne tegen de ‘Fascisten' oftewel de Duitssprekende bevolking. Zijn regime ontbond bestaande regio’s waardoor ‘legale’ bescherming verviel. In 1939 bedacht hij een plan voor deportatie van de Duitse mennonieten. Arrestaties en mishandeling van geestelijken en docentenhaddeneen grote impact op de houding van de mennonieten ten opzichte van de machthebbers.

Mennonieten en de autoriteiten
In juni 1941 brak de oorlog tussen Duitsland en de Sovjet-Unie uit. Sommige mennonietenjongeren meldden zich vrijwillig aan bij het Rode Leger, anderen wachtten het einde van de gevechten af. Maar het was bijna onmogelijk om neutraal en afzijdig te blijven. Een aantal politici en communistische activisten werd verbannen naar het oosten van de Sovjet-Unie. De wet 'Over de Duitse bevolking in Oekraïne' werd in augustus 1941 aangenomen. Volgens deze wet moesten 'anti-Sovjet elementen' gearresteerd worden en de mannelijke Duitssprekende bevolking tussen de zestien en de zestig jaar werd opgeroepen om 'bataljons te vormen’.
De Duitse mennonieten uit de provincies Kharkov, Dnepropetrovsk, Zaporozhe, Stalin (het tegenwoordige Donetzk), Voroshilovgrad (Lugansk) en de Krim moesten die gebieden verlaten. Het oprukken van de Duitse Wehrmacht had tot gevolg dat er van dieplannen echter niets terecht kwam.

Tussen Bolsjewisme en Nazisme
Vóór de oorlog woonden er ongeveer 163.000 mennonieten en etnische Duitsers in Oekraïne. De Fascisten wilden de bewoners van deze bezette gebieden voor hun eigen doeleinden winnen, en een beroep op de Duitssprekende bevolking doen. Om dit doel te bereiken gaven ze de kerkelijke gemeenten materiële steun en wendden ze zich voor de scholen en het religieuze leven te herstellen. In het begin werkte dit, maar al snel raakten de mennonieten teleurgesteld, omdat de door Stalin opgezette Kolchozen niet ontbonden werden, en de nazi-ideologie op de scholen werd onderwezen in plaats van bolsjewistische ideeën. Bovendien beschouwde de plaatselijke niet-Duitse bevolking de mennonieten als 'Untermenschen'.

Vreemdelingen in eigen land
Toch zijn er veel voorbeelden van goede relaties tussen mennonieten en hun Oekraïense buren, waardoor het de nazi's niet gelukte om onder de plaatselijke bevolking verdeeldheid te zaaien.Echter het psychologische effect op de mennonieten was er niet minder om. Tijdens de bezetting voelden zij zich 'vreemdelingen in hun eigen land'. Uit hun terugkeer naar de Sovjet-Unie mag worden geconstateerd dat ze zich als Duitssprekenden niet verantwoordelijk voelden voor de wandaden van de nazi's.

Vertaling: Eliza ten Kate 


Nederzettingen

Auteur: Svietlana Bobileva

De hardwerkende reputatie van de Poolse mennonieten was voor de Russische tsarina Catharina de Grote reden om hen voor de ontginning van nieuwe gebieden uit te nodigen. Ze kregen land en geld om te emigreren en zich in haar rijk te vestigen. Ze hoefden niet in militaire dienst en kregen burger- en zelfbestuursrecht.

Nederzettingenin Ekaterinoslav, Alexandrovsk en Molochansk
De eerste 228 mennonietenfamilies uit Pruisen kwamen aan in de provincie Ekaterinoslav. Daar stichtten ze acht nederzettingen: Chortytza, Einlage, Rosenthal, Kronsweide, Neuendorf, Shoenhorst, Neuenburg en InselChortitza. De volgende Novomoskovsk en Alexandrovsk. In 1804  vestigden zich 150 families in de provincie Tavria, waar zij hun dorpen bouwden aan de oostelijke oever van de rivier de Molotschna. In 1804-1806 vestigden zich nog eens 365 nieuwe families in dit gebied. Tijdens de eerste decennia van de negentiende eeuw stichtten de mennonieten 27 nederzettingen in Molotschna: Halbstadt, Tiegenhagen, Schoenau, Fischau, Lindenau, Lichtenau, Muensterberg, Altonau, Tiege, Orlovo, Blumenort, Muntau-Ladekop, Mariental, Rudnerweide, Franzthal, Pastva, Grossweide en Blumstein.

In 1835 vestigden zichin de omgeving van Alexandrovsknog eens 145 familiesin vijf extra nederzettingen. In 1852 werden zij verenigd met het derde mennonietendistrict te Marioepol. Toen in de jaren tussen 1836 en 1866 de ‘Doukhobors’, een Russische afscheidingsbeweging, naar de Kaukasus vertrok, namen vertegenwoordigers van de uit Pruisen afkomstige Oud-Vlaamse gemeente Gnadenfeld,dit verlaten land over. Daar stichtten zij de GnadenfeldMennonieten nederzettingin het district Molochansk.

Samara en Volhynia
Mennonieten uit Danzig, Marienburg en Elbing vestigden zich vanaf 1850 in de provincie Samara. In 1874 waren dital zestien koloniën. Enkele van deze bevonden zich in de provincie Kiev (het dorp Mikahlin) en in Volhynia (Karlsweide, een nederzetting van Zwitserse mennonieten). Rond 1870 woondener in totaal 2300  mennonietenfamilies uit Danzig en Pruisen in Rusland.

Nieuwe migratie door problemen met de landerijen
Door ontwikkelingen in de economie en groei van de bevolking ontstond er onder de mennonieten gebrek aan bouwland. Gelukkig konden de mennonieten na 1861 land van de adel kopen, waarmee ze nieuwe nederzettingen oprichtten. Aan het begin van de twintigste eeuw waren er in totaal 104.000 mennonieten in het Russische Rijk. Het merendeel woonde in de provincies Ekaterinoslav, Tavria en Samara. De grootste nederzettingen in de provincie Ekaterinoslavwaren: Chortytza (1800 mensen), Rosenthal (1226), Neuendorf (1121), Osterwick (3100), Einlage (1258) enin de provincie Tavria:Halbstadt(915) en Waldheim (946).

Foto: Wally Kroeker, An Introduction to Russian Mennonites: A story of flights and resettlements to homelands in the Ukraine, the Chaco, the North American Midwest, Germany and beyond. (Good Books, PA, 2005).

Vertaling: Eliza ten Kate 


De Mennonitische Brüdergemeinden

Auteur: Nataly Venger

Ten tijde van het Russische Rijk waren de mennonietengemeenschappen in sociaal opzichtvolop in beweging. Modernisering kreeg invloed op de godsdienstige en ethische opvattingen van de gemeenten, met als effect dat hun nederzettingen een 'reformatie' doormaakten. Dit leidde uiteindelijk tot splitsingen maar ook tot een dieper besef van rechtvaardigheid.

Schisma
Rond 1850 bezat ongeveer de helft van de mennonieten geen land. Daardoor konden ze niet deelnemen aan zelfbestuur, terwijl ze wel dezelfde plichten opgelegd kregen als deandere (rijkere) mennonieten. Sommigen werkten in sectoren buiten de landbouw en wilden ook gelijke rechten. Deze sociale onrust leidde tot protesten.Mede als gevolg van een geestelijk reveil resulteerde een en ander uiteindelijk inafsplitsing en de oprichting van de MennonitischeBrüdergemeinden. In deze nieuwe gemeenschap verenigden zich vooralaanhangers van het Piëtisme, een orthodoxe geloofsstroming met veel aandacht voor een vroom persoonlijk en praktisch geloofsleven.Deze nieuwe gemeentenleverden kritiek op de vervlakking van het oude geloof en boden een weg tot de verlossing van de zonden. Ookveel leden van jongere gemeenten,onder welke een groot aantal ondernemers, sloten zich hier bij aan.

Invloed en zending
Deze toch wel radicalebeweging werd al snel populair onder nieuwe mennonieten. Het eerste congres van de Brüdergemeindenvond plaats in 1872en een jaar later werd er een algemene geloofsbelijdenis opgesteld. Bewust van hun roeping, publiceerden zeeen eigen blad 'Friedensstimme' enwerdenzij zeer actief in de zending. In Kuban, Zagradovka en Marioepol bouwden zij nederzettingen.

P.M. Friesen, The MennoniteBrotherhood in Russia (1789-1910)
In 1885 vierden de Brüdergemeindenhun 25ste verjaardag, toen een gemeenschap van in totaal zeven nederzettingen en 1800 leden. Ter gelegenheid van dit kroonjaar kreeg een van de leiders van de nederzetting, P.M. Friesen, de opdracht om een boek te schrijven over de geschiedenis van de koloniën, wat in 1911 het licht zag. In 1917 bestonden de Brüdergemeindenuit veertig gemeenten met in totaal 7000 leden. De mennonietenvormden hechte gemeenschappen, gevoed door de vrees voor de opkomst van het Russische nationalisme waar dreiging van uitging.

Vertaling: Eliza ten Kate 


Het onderwijssysteem van de Russische mennonieten

Auteur: Svietlana Bobileva

In de kolonies werd serieus werk gemaakt van onderwijs. Op school deden de leerlingen algemene kennis op, maar ook geloofszaken kregen aandacht. De oudsten van de gemeenschap waren verantwoordelijk voor het onderwijs. Er gold een leerplicht, en de scholen werden bestuurd door de gemeenten.

Lezen, schrijven en rekenen
Het onderwijssysteem van de mennonieten kende verschillende ontwikkelingsfases. In de eerste fase (1800-1820) waren de financiële middelen beperkt. In die tijd was de doelstelling kinderen te leren lezen, schrijven en rekenen. De volgende fase begon rond 1825, waaraan vooral de naam van Johan Corniesverbonden is. Hij stichtte lerarenopleidingen in Orlovo, Halbstad en Chortitza. In 1843 kreeg hij de leiding over alle mennonietenscholen. Hij wilde de invloed van predikanten in de scholen verminderen, hervormde het onderwijs, en steunde de scholen financieel. Cornies organiseerde conferenties voor leraren, en richtte de ‘Gnadenfeld Leeskring’ op, evenals een bibliotheek.

Russische les
In 1886 begon men op de scholen ook met Russische les. Kort daarna, conform de wetgeving van 1890-1892, werden alle etnische scholen onder toezicht van het Onderwijsministerie geplaatst. De staat gebruikte dit beleid om de scholen te 'Russificeren'. Zo kreeg elke school een leraar Russisch. Om meer gediplomeerde leraren Russisch te verkrijgen werd er in Chortitza in 1889 een tweejarige lerarenopleiding opgestart.

Invloeden van buitenaf
In april 1905 nam het Russische Rijk de wet op gewetensvrijheid aan. Sommige mennonietenscholen werden gereorganiseerd, eneen aantal nieuwe werd gesticht. Na de burgeroorlog van 1920 vond er een heropbloei van etnische gemeenschappen plaats, ook al had dit een controversieel karakter.In Odessa, bijvoorbeeld, werd een Pedagogische Academie opgericht om leraren voor etnische scholen op te leiden, maar ondertussen maakten de Sovjetmachten steeds meer antireligieuze propaganda. De ideologie van het atheïsmewerd onder studenten en volwassenen verspreid.De ‘Jonge Pioniers’ en de ‘Komzomol’ werden opgericht om de jongere generaties te beïnvloeden, maar dit sloeg niet echt aan.

Toen in Duitsland de fascisten de overhand kregen, kwamen de mennonietenscholen onder druk te staan van de staatspolitie. De Duitssprekende professoren en leraren van de Pedagogische Academie in Odessa werden beschuldigd van collaboratie met de nazi's. Enkelen werden verbannen of geliquideerd. In 1938 werd de Duitse taal volledig uit de scholen verbannen, en de mennonietenscholen hielden op te bestaan.

Vertaling: Eliza ten Kate 


Succesvolle ondernemers

Auteur: Nataly Venger

De mennonieten in Rusland waren niet alleen succesvolle boeren, maar ook talentvolle ondernemers. In de provincie Ekaterinoslavbezaten zij toonaangevendeproductiebedrijvenvoor landbouwmachines. ‘Lepp en Wallman’ was op dat terrein een firma met naam. De fabriek was in1850 gesticht door Peter Lepp, grondleggervan een dynastie van ondernemers.Onder leiding van kleinzoon Johann Lepp, die de firma in 1879 erfde en tot 1919 exploiteerde, werd de fabriek tot zijn hoogtepunt gebracht.

De Lepp-Wallmann Dynastie
In 1880 werd de rijke boer Andreas Wallmann vennoot van Lepp. De firma ging daarna verder onder de naam 'Lepp en Wallmann'. In 1903 werd de firma een Naamloze Vennootschap. Aandeelhouders waren de elf vertegenwoordigers van de Lepp-Wallmann dynastie. Zij leidden de drie fabrieken in de provincie Ekaterinoslav. Rond 1903 werd de waarde van de firma geschat op 1,15 miljoen roebel. Dit groeide uit tot 2,4 miljoen roebel(1903-1913).

Succes en erkenning
Eerst produceerde de fabriek eenvoudige landbouwwerktuigen om te maaien, wannen en oogsten. In 1847 bracht het de eerste 'Lepp'sBooker' uit. Rond 1880 werd het sortiment uitgebreid met machines die een belangrijke rol speelden in de industrialisatie: stoommachines, ketels, oliepersen en gereedschap voor zaagmolens. Tussen 1860 en 1912 deed de fabriek mee aan landbouwtentoonstellingen en won 33 medailles en diploma's. Tijdens de Eerste Wereldoorlog, werd de firma gedwongen om ook wapens te produceren. Voor de (pacifistische) mennonieten was dit de enige manier om in die moeilijke tijd hun eigendom te kunnen behouden.

Het belang van mennonieten fabrieken
Lepp-Wallmann leverde een enorme bijdrage aan de ontwikkeling van de landbouwmachines in het Russische Rijk. Beroemde ondernemers zoals A. Koop en C. Hildebrandtverkregen hun eerste baan in de fabriek van P. Lepp.In 1900 produceerden de mennonieten in de provincie Ekaterinoslav meer dan 58 procent van de landbouwwerktuigen in Rusland. In de provincie Taurida was een derde van de machinefabrieken in hun handen. In 1911 was twintig procent van de landbouwwerktuigen in Novo-Russia eigendom van mennonieten. Deze cijfers zijn een indicatie van het succesvolle ondernemerschap van deze etnische en religieuze groepering.

De mennonieten maakten in die tijd gebruik van de meest recente technologieën, ze waren succesvol in het concurreren met buitenlandse firma's, en ze konden de consument goedkope werktuigen van hoge kwaliteit bieden. Zo droegen zij ook bij aan de economische vooruitgang en de modernisering van Oekraïne.

Vertaling: Eliza ten Kate 


Van monarchisten naar democraten

Auteur: Nataly Venger

Catharina de Grote nodigde de mennonieten uit om in Rusland te komen wonen. Op haar initiatief koloniseerden de mennonieten nieuw verkregen land. Hoe veranderde de houding van de monarchie ten opzichte van de mennonieten en waarom?

Privileges
Voor het nieuw verkregen land In Zuid Rusland had Catharina mensen nodig die zich wilden vestigen en het land wilden ontginnen. Een en ander ter bevordering van de economie van het keizerrijk. In de Manifesten schreef de keizerin dat de kolonisten extra voorrechten werden beloofd. In 1788 tekende zij 'De MennonitischeVoorrechten'. Dit actieve emigratiebeleid bood de mennonieten een gunstig financieel vooruitzicht. Opvallend is het dat noch het Russische volk noch andere etnische groepen deze voorrechten kregen.

Moraal
Na Catharina, steunden zowel Paulus I (1796–1801),  als Alexander I (1801–1825) als Nicholas I (1825–1855) de mennonieten. Paulus I gaf ze een 'Oorkonde van Privileges' voor hun morele gedrag als voorbeeld voor andere groepen in de samenleving.
Alexander I stelde extraregels voor kolonisatie vast, waarinhij onder meerrijke immigranten voorkeursrecht gaf. Hij gaf de opdracht om alle eerdere wetten samen te voegen in de 'Statuten van de Koloniën'.De vorst betaalde voor het bouwen van kerken in de dorpjes Orloff en Rudnerweide. De nederzetting Alexanderwohl werd naar hem vernoemd, toen hij Steinbach en Tiege bezocht.

Ook Nicholas II (1894–1917) verleende zijn steun aan de 'Privileges'.Zijn ideeënkwamen tot uiting in de slogan: 'Orthodoxie, autocratie en nationaliteit.' Ook al waren de mennonieten protestanten, toch stonden ze achter de idee van de 'vorst als vader'. Hieruit bleek hun toewijding aan de monarchie.

Verandering van status
De modernisering en eenwording onder Alexander II kondigde een nieuw tijdperk in de geschiedenis van de nederzettingen aan. In 1871-1874 verloren de mennonieten hun status van 'kolonist' en werden ze opgeroepen voor een vervangende militaire dienstplicht. Toch stopten deze hervormingen de ontwikkeling van de koloniën niet, vooral omdat Alexander II geen supporter was van de nationalisten. De mennonieten bleven trouw aan het concept van een 'economisch messianisme' dat hun connectie met de monarchie mogelijk maakte. Een nieuwe nederzetting kreeg de naam van Alexander II.

Van monarchisten naar democraten
Alexander III (1881–1894) en Nicholas II werden beïnvloed door  nationalistische sentimenten. In navolging van de nationalistische ideologie zagen zij de Russische natie en de Orthodoxe kerk als een eenheid, wat henzowel anti-protestants, alsook anti-Duits maakte. Lange tijd hadden de mennonieten de monarchie gesteund, maar door de democratische processen, mededoor de revolutie van 1905-1907 en door het Russische nationalisme op gang gekomen,raakten zij in discussiemet de regering. Dit had tot gevolg dat de mennonieten veranderden van aanhangers van de monarchie in voorstanders van democratie en een parlementair systeem.

Vertaling: Eliza ten Kate