‘Menniste Paus’

Auteur: Annelies Vugts-Verbeek

Muller wordt tegenwoordig beschouwd als een van de meest invloedrijke seminariumhoogleraren in de geschiedenis van de Nederlandse doopsgezinden. In zijn eigen tijd werd hij spottend  de ‘menniste paus’ of ‘hoofd van de kerk’ genoemd. Zijn groeiende autoriteit en invloed stond in gespannen verhouding met het autonome en antiautoritaire ‘eigene’ van de doopsgezinden. Hij was meer een representant van de negentiende eeuw dan de liberale doopsgezinden die zich thuis voelden in het gedachtegoed van de verlichte achttiende eeuw.

 

Van Krefeld naar Amsterdam

De Duitse Muller kwam op een beurs uit Krefeld naar Amsterdam (1801) om opgeleid te worden tot doopsgezind predikant. De fijne kneepjes van het vak leerde hij in het stadje Zutphen (1806). Daarna volgde beroepen in de aanzienlijker gemeenten Zaandam-Oostzijde (1809) en Amsterdam (1814). In 1827 werd hij als seminariumhoogleraar benoemd waarvoor hij langer dan 30 jaar werkte. Hij was toen al enige tijd als bestuurder betrokken.

 

Emancipatie

Onder zijn bewind professionaliseerde het Doopsgezind Seminarium. Uiteindelijk zou het Seminarium in hetzelfde aanzien komen te staan als de opleiding van de Nederlandse Hervormden aan de voorloper van de Universiteit  van Amsterdam. De doopsgezinden zelf waren steeds hoger opgeleid en speelden een aanzienlijke rol in de maatschappij en het culturele leven, bijvoorbeeld in de genootschappen en periodieken. Daarom hadden zij goed opgeleide voorgangers nodig die onderwijzend en stimulerend predikten, en participeerden in de toonaangevende culturele netwerken. Deze doopsgezinden wilden opgaan in de maatschappij. Ten opzichte van de hervormden onderscheidden zij zich in hun anti-dogmatisme en nadruk op de bijbel als enige autoriteit.

 

Kritiek

Vele van zijn leerlingen waren de stimuli voor deze doopsgezinde emancipatie. Toch was er ook kritiek op de doopsgezindheid van Muller. Collega’s als Joost Hiddes Halbertsma (1789-1869) miste het oude liberalisme en folkloristische doopsgezind eigene, terwijl Jan de Liefde (1814-1869) orthodoxer en piëtistisch was. De Liefde verliet de doopsgezinden. Anderen, zoals een deel van de gemeente Balk, zochten het buitenland op om daar hun geloof uit te oefenen.

 

Men zou kunnen zeggen dat de huidige Nederlandse doopsgezinden meer de erfgenamen van Muller dan van Menno Simons zijn. Met Muller gingen de doopsgezinden een nieuwe tijd in die hen zou voorbereiden op het modernisme. Dat was een theologische richting die in de tweede helft van de negentiende eeuw alle dogma’s betwistte, zelfs het geloof in God. De inmiddels oude Muller was geschokt door de nieuwe stroming waarvoor hij onderbewust de deur had opengezet.

 

Bron: Annelies Verbeek, ‘Menniste Paus’. Samuel Muller (1785-1875) en zijn netwerken, Hilversum 2005