Nederlandse doopsgezinden en politiek

Auteur: Gabe G. Hoekema

Tegenwoordig voelen veel doopsgezinden zich betrokken bij vragen rondom gerechtigheid, ontwikkelingswerk en armoedebeleid. Lange tijd gold dat zij zich op afstand hielden van maatschappij en politiek. In het algemeen gold als leidraad dat de gemeente ‘wel in de wereld, maar niet van de wereld is’. Op de overgang van de achttiende eeuw naar de negentiende eeuw namen dissenterse en patriottische doopsgezinden echter deel aan militante vrijkorpsen en zaten zij in het eerste Nationale Parlement. Ook al assimileerden zij maatschappelijk in de negentiende eeuw, het bleef tot in de twintigste eeuw taboe om in de gemeente over politiek te spreken. Politiek werd beleefd als een persoonlijke aangelegenheid. In de gemeente moest het gaan over het geloof en over de geloofsopvattingen die de leden onderling verbonden. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog kwam dat het scherpst tot uiting toen het oprukkend nazisme in Duitsland ook in Nederland aanhangers kreeg. In De Zondagsbode, het landelijk blad van de doopsgezinden, werd daarover nauwelijks geschreven. Ook niet toen sommige gemeenteleden en predikanten met het Nationaalsocialisme sympathiseerden en zij Hitler bewonderden om zijn sociaaleconomisch beleid.

 

Vietnam en kernwapens

Vanaf de jaren 1960 trad de politiek meer op de voorgrond. Zoals in de discussie  over, en het protest tegen de oorlog in Vietnam en weer later tegen de atoomwapens. Belangrijk was de nadruk op de vraag hoe doopsgezinden een vredesgemeente kunnen zijn.

 

Doopsgezind  polderen

Doopsgezinden leven in een land waar al vele jaren een sfeer is van overleg. Geen politieke en kerkelijke stroming heeft zoveel macht  dat zij zonder andere  stromingen regeren kan. Dat betekent altijd onderhandelen en compromissen sluiten. In gemeenten waar politiek ter sprake komt wordt er gezocht naar wat men verbindt. Zo is er bij sommigen ook een sterk besef van oecumene.

 

Christelijke politiek

Tot op heden zijn er christelijke politieke bewegingen, maar doopsgezinden hebben zich vanuit hun geloof niet politiek georganiseerd. Zij identificeren zich veelal met het liberale of het sociaaldemocratische gedachtegoed. Een kleinere groep zit daar tussen in of is iets radicaler links. Milieu en duurzaamheid zijn voor veel doopsgezinden belangrijke aandachtspunten.

Echt politiek actief zijn de doopsgezinden dus niet, op enkele volksvertegenwoordigers in het parlement na. Sommigen werden minister, staatssecretaris of burgemeester. De bekendste politici op de drempel naar de twintigste eeuw zijn: C. Lely (1854-1929), wiens naam verbonden is aan de Afsluitdijk en S. van Houten (1837-1930) stelde de eerste sociale wet op die kinderarbeid verbood. In de jongste geschiedenis zijn dat: D.K.J. Tommel (1942-) en mw. A. Jorritsma-Lebbink (1950-).

 

Bronnen: C. van Duin, ‘De doperse gemeente – een politiek relevante zaak’, in: Doopsgezinde Bijdragen 2 (Amsterdam 1976), 62-71; E.I.T. Brussee-van der Zee, ‘De Doopsgezinde Broederschap en het nationaalsocialisme, 1933-1940’, in: Doopsgezinde Bijdragen 11 (Amsterdam 1985), 118-130.