Weerloosheid tegenover verdediging

Auteurs: Marius Romijn, Pieter Post

Doopsgezinden in Nederland kiezen zélf, of ze kunnen meewerken aan staatsgeweld. Dat was anders in de tijd van Menno Simons; de doopsgezinde benadering van geweld heeft zich daarna sterk ontwikkeld.

 

Münster of Menno?

Menno stond tegenover de Münsterse dopers die in 1534 het stadsbestuur hadden overgenomen. Toen herovering door de bisschop dreigde, gingen enkele duizenden Nederlandse doopsgezinden gewapend op weg, ter verdediging van 'Het nieuwe Jeruzalem'. Volgens de Münstersen was het een tijd van wraak, waarin de gelovigen het zwaard moesten opnemen, onder 'De nieuwe David' (Jan van Leyden). Pas hierna zou het vrederijk van Christus worden gevestigd.

 

Weerloze doopsgezinden steunden soms de overheid

Voor Menno en zijn volgelingen had de overheid een door God gegeven taak: 'Bescherming van de zwakken en verdediging van het geloof'. Zelf waren ze weerloos, maar regeringen konden binnen hun taak geweld gebruiken. Menno aanvaardde het bekleden van een overheidsambt, zolang men vrij bleef van bloedvergieten.

In een belegerde stad namen doopsgezinden geen wapens op, wel konden ze branden blussen en schade herstellen. In 1572 brachten Waterlandse doopsgezinden geld naar Willem van Oranje, voor de verdediging tegen de Spanjaarden. In 1672 droegen verschillende soorten doopsgezinden bij om het leger te versterken.

 

Scheiding kerk en staat

Aan het eind van de achttiende eeuw raakten patriottische doopsgezinden onder invloed van de Franse Revolutie actief op de staat betrokken in hun strijd om gelijke rechten. Samen met remonstranten en andere verlichte theologen namen zij zitting in het eerste Nationale Parlement dat de scheiding van kerk en staat voorbereidde. De doopsgezinde predikant Jacob Henrik Floh (1758-1830) was secretaris van de Eerste Kamer en bepleitte gelijke rechten voor Joden die tot de laagste sociale klasse behoorden. In de praktijk betekende de scheiding van kerk en staat (1848) onder doopsgezinden echter geen vanzelfsprekendheid. Enkele theologiestudenten namen deel aan de gewelddadige opstand die het uiteenvallen van België en Nederland tot gevolg had (1830), terwijl een deel van de gemeente Balk naar de Verenigde Staten emigreerde wegens verplichte wapendienst (1853).

 

In de twintigste eeuw werd de geweldloosheid tot nieuw leven gewekt door de doopsgezinde ‘Arbeidsgroep tegen den Krijgsdienst’ (1925). Hieruit vloeide later de Doopsgezinde Vredesgroep voort met een eigen Vredesbureau dat gewetensbezwaarden begeleidde (1946). Gaf de dienstweigeringswet (1923) ruimte voor gemoedsbezwaarden, tegenwoordig is de opkomstplicht voor de militaire dienst opgeschort (1997).

 

Referenties: Alle G. Hoekema e.a., Dagboek Cor Inja. Geen cel ketent deze dromen (Hilversum 2001). Afbeelding: S. Groenveld e.a., Wederdopers, menisten, doopsgezinden in Nederland 1530-1980, (Zutphen 1980),174.