Nederland / Belgie

Talen: Nederlands en Fries

Religies: Rooms-Katholiek 30%, Protestant 20%, Moslim 6%

Bevolking: 17 miljoen

Hoofdstad: Amsterdam (Regering gevestigd in den Haag)

Doopsgezinden in Nederland

Aantal doopsgezinde Gemeenten: 110, vooral aangetroffen in het Westen en Noorden van het land.

Gemeenten vooral gelegen in het noordwesten

Hoeveelheid gedoopte doopsgezinden:

7.700 = 12% van de Europese doopsgezinden

 

Nederland bezoeken?

 

Een deel van de 9000 km lange Migratie Route komt door dit gebied..

Een bescheiden mens die de doopsgezinde broederschap hielp vormgeven

Auteur: Marius Romijn

Begin twintigste eeuw werd de invloed van vrijzinnigheid kleiner, terwijl orthodoxie en katholicisme stabiel waren. Veel jongere predikanten worstelden met 'zonde en verlossing'. Zij vonden inspiratie bij de Engelse quakers, vooral hun conferenties in Woodbrooke. Daar stonden Christus en het gebed in het middelpunt; leken gaven leiding in geestelijke zaken en bij praktisch werk.

 

Tjeerd Hylkema werd er als student zeer geraakt door lekenvroomheid, lekenarbeid en vredesgetuigenis. Hij overlegde met andere doopsgezinden, om zoiets in de broederschap in te voeren. Daaruit ontstond in 1917 de Vereniging voor Gemeentedagen, een combinatie van landelijke en regionale ontmoetingen, werkgroepen en geleidelijk ook conferentie- en kampeerverblijven. Vrouwen namen er volop deel, en er kwam nieuw leven in de broederschap. Hylkema, vanaf 1912 predikant in Giethoorn, was tien jaar de voorzitter. De ADS reageerde eerst argwanend op deze beweging van onderaf, met socialistische, pacifistische, feministische, piëtistische en orthodoxe trekjes. Het eigen blad de Brieven verscheen vanaf 1918. Er waren onder meer werkgroepen voor bijbelstudie, het organiseren van jongerenkampen, en tegen de krijgsdienst.

 

In Giethoorn stichtte Hylkema een rietvlechtschool; hij speelde ook een hoofdrol bij hulpverlening aan de doopsgezinden in Rusland, die na de revolutie zwaar werden vervolgd. Zijn boekje daarover uit 1920 De geschiedenis van de doopsgezinde gemeenten in Rusland in de oorlogs- en revolutiejaren 1914 tot 1920, werd herdrukt en uitgebracht in het Duits. Hij werkte mee aan de emigratie van honderden Russische doopsgezinde vluchtelingen naar Noord- en Zuid-Amerika, via Rotterdam. In Nederland werd in de crisistijd hulp geboden aan verarmde gezinnen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog organiseerde hij een transport van Joodse kinderen naar Londen, en hulp aan vluchtelingenkampen in Nederland.

 

In 1929, toen het doopsgezind broederschapshuis Fredeshiem gereed was waarvan Hylkema de initiator was, werd hij predikant in Amersfoort. Vanaf 1936 tot 1948 stond hij in Amsterdam. Hij is voorzitter geweest van de Doopsgezinde Vredesgroep en was actief voor de bibliotheken van onder meer het Vredespaleis in Den Haag. Hij schreef veel stukken in de Brieven, meerdere boeken, en had een aandeel in de Doopsgezinde Liederenbundel van 1944.

 

Het werk van de Gemeentedagbeweging stimuleerde internationale contacten en bracht de ADS in 1924 tot een verbreding van de doelstelling; bij 'bevordering van de predikdienst' kwamen de materiële, zedelijke en godsdienstige belangen van de Nederlandse doopsgezinden en het vertegenwoordigen van de doopsgezinden naar buiten. In 1947 werd de naam van de Gemeentedagbeweging: 'Gemeenschap voor Doopsgezind Broederschapswerk'.

 

Tjeerd Hylkema was een bescheiden mens; ondanks een zwakke gezondheid kon hij veel van zijn idealen realiseren. Dit hielp de broederschap bij het ingaan van de twintigste eeuw.

 

Hervormer

Auteur: Marius Romijn

Menno werd priester in de begintijd van de hervorming, toen ook de 'sacramentariërs' opkwamen (Zij wezen het misoffer af). Als kapelaan in Pingjum betwijfelde hij het miswonder, en ging hij de bijbel bestuderen. Inmiddels drong de doperse beweging hier door. Na de onthoofding van Sicke Freerks, die was herdoopt, ging Menno bovendien twijfelen aan de kinderdoop. Toch werd hij eind 1532 pastoor in Witmarsum; hij gold toen als een 'evangelisch prediker'.

 

Dit beginnende doperdom benadrukte de komende Eindtijd; de ware gelovigen moesten zuiver en weerloos leven, in een vlekkeloze gemeente. Een snelgroeiende groep dopers, onder Jan Matthijsz, naderhand Jan van Leyden, wilde zélf het 'Nieuwe Jeruzalem' vestigen, in de bisschopsstad Münster. Het stadsbestuur ging hierin mee, en men bewapende zich voor de verdediging, want de bisschop zou een heroveringsleger sturen.

 

Na een jaar ging dit Münsterse rijkje ten onder. Bij dopers geweld in Friesland waren ook mensen uit Menno's omgeving betrokken. De dopers waren in verwarring, en werden hevig vervolgd. Menno leefde nog comfortabel, maar voelde zich onvrij: 'Ik was in Egypte'. In 1536 trad hij uit de katholieke kerk, en moest ondergronds gaan. Na veel denken en praten, liet hij zich dopen.

 

In 1537 werd Menno tot 'oudste' aangesteld (doperse voorman). Geleidelijk werd hij een leider van de Nederlandse dopers, en verminderde de invloed van zijn concurrent David Joris. Er kwam een prijs op zijn hoofd; mensen die hem hadden gehuisvest, kostte dit het leven. Onderhand schreef hij boeken en traktaten; de overheid verbood die. Hij reisde nog wel rond, maar leefde uiteindelijk als balling in Holstein, met zijn vrouw Geertruyd en enkele kinderen.

 

Omdat voor de dopers de zuivere gemeente centraal stond, hanteerden ze de 'ban': Uitsluiting van leden met wangedrag, om hen via berouw terug te winnen voor de gemeente. De invloedrijke oudste Lenaert Bouwens, bande in Emden de man van Swaan Rutgers, en verbood haar de echtelijke omgang. Zij weigerde, om haar trouwbelofte niet te breken. Menno wilde dit schikken, maar Lenaert dreigde om ook hem te bannen. Menno gaf toe, waarop de meer rekkelijke 'waterlanders' zich afscheidden. Op zijn sterfbed uitte hij spijt, dat hij 'een knecht van mensen' was geweest.

 

Menno was een hervormer van de tweede generatie, geen geleerde zoals Luther, Zwingli en Calvijn. Als praktisch leider verenigde hij de vreedzame dopers in een zeer spannende periode. Aan het eind van zijn leven viel die eenheid in duigen.

 

Bron: Piet Visser, Sporen van Menno. Het veranderende beeld van Menno Simons en de Nederlandse mennisten (i.s.m. Nederland, Canada, de Verenigde Staten en Duitsland, 1996).

 

‘Menniste Paus’

Auteur: Annelies Vugts-Verbeek

Muller wordt tegenwoordig beschouwd als een van de meest invloedrijke seminariumhoogleraren in de geschiedenis van de Nederlandse doopsgezinden. In zijn eigen tijd werd hij spottend  de ‘menniste paus’ of ‘hoofd van de kerk’ genoemd. Zijn groeiende autoriteit en invloed stond in gespannen verhouding met het autonome en antiautoritaire ‘eigene’ van de doopsgezinden. Hij was meer een representant van de negentiende eeuw dan de liberale doopsgezinden die zich thuis voelden in het gedachtegoed van de verlichte achttiende eeuw.

 

Van Krefeld naar Amsterdam

De Duitse Muller kwam op een beurs uit Krefeld naar Amsterdam (1801) om opgeleid te worden tot doopsgezind predikant. De fijne kneepjes van het vak leerde hij in het stadje Zutphen (1806). Daarna volgde beroepen in de aanzienlijker gemeenten Zaandam-Oostzijde (1809) en Amsterdam (1814). In 1827 werd hij als seminariumhoogleraar benoemd waarvoor hij langer dan 30 jaar werkte. Hij was toen al enige tijd als bestuurder betrokken.

 

Emancipatie

Onder zijn bewind professionaliseerde het Doopsgezind Seminarium. Uiteindelijk zou het Seminarium in hetzelfde aanzien komen te staan als de opleiding van de Nederlandse Hervormden aan de voorloper van de Universiteit  van Amsterdam. De doopsgezinden zelf waren steeds hoger opgeleid en speelden een aanzienlijke rol in de maatschappij en het culturele leven, bijvoorbeeld in de genootschappen en periodieken. Daarom hadden zij goed opgeleide voorgangers nodig die onderwijzend en stimulerend predikten, en participeerden in de toonaangevende culturele netwerken. Deze doopsgezinden wilden opgaan in de maatschappij. Ten opzichte van de hervormden onderscheidden zij zich in hun anti-dogmatisme en nadruk op de bijbel als enige autoriteit.

 

Kritiek

Vele van zijn leerlingen waren de stimuli voor deze doopsgezinde emancipatie. Toch was er ook kritiek op de doopsgezindheid van Muller. Collega’s als Joost Hiddes Halbertsma (1789-1869) miste het oude liberalisme en folkloristische doopsgezind eigene, terwijl Jan de Liefde (1814-1869) orthodoxer en piëtistisch was. De Liefde verliet de doopsgezinden. Anderen, zoals een deel van de gemeente Balk, zochten het buitenland op om daar hun geloof uit te oefenen.

 

Men zou kunnen zeggen dat de huidige Nederlandse doopsgezinden meer de erfgenamen van Muller dan van Menno Simons zijn. Met Muller gingen de doopsgezinden een nieuwe tijd in die hen zou voorbereiden op het modernisme. Dat was een theologische richting die in de tweede helft van de negentiende eeuw alle dogma’s betwistte, zelfs het geloof in God. De inmiddels oude Muller was geschokt door de nieuwe stroming waarvoor hij onderbewust de deur had opengezet.

 

Bron: Annelies Verbeek, ‘Menniste Paus’. Samuel Muller (1785-1875) en zijn netwerken, Hilversum 2005

 

Getuigen van Gods Koninkrijk

Auteur: Fulco Y. van Hulst

Wat is het eigene van Nederlandse doopsgezinde ethiek – en hoe wordt dat zichtbaar? Het was de geliefde bijbeltekst van de Nederlandse kerkhervormer Menno Simons (1496-1561), leider van de doperse beweging: 1 Kor.3:11 ‘Er is geen ander fundament dan hetgeen gelegd is, namelijk Jezus Christus zelf’.  Nog steeds is Jezus  richtingwijzer voor de ethiek in dopers perspectief.

 

Bergrede

De doopsgezinde ethiek laat zich het best karakteriseren als een ‘Bergrede-ethiek’,  of als een ethiek van de navolging van Jezus. Een leven leiden zoals God dat bedoeld heeft, heeft bij doopsgezinden een centrale plaats. In het bijzonder zijn dat de aanwijzingen van Jezus in de Bergrede en zijn onderwijs in de gelijkenissen. De woorden van Jezus vestigen de aandacht op de liefde van God, en de zorg voor de kwetsbare naaste. De liefde voor de vijand als teken van overwinning op het kwaad en het geweld wordt ervaren als een richtlijn ‘hoe goed te leven’. De vredesethiek in het bijzonder is een belangrijk onderscheidend element van de Nederlandse doopsgezinde ethiek. Een goed voorbeeld van de wijze waarop doopsgezinden in het recente verleden die vredesethiek in praktijk brachten, is de actieve ondersteuning van gewetensbezwaarden die op grond van hun overtuigingen militaire dienst weigerden.

 

In de wereld

Het Nederlandse doperdom heeft zich voor een groot deel ontwikkeld in een verstedelijkte omgeving in wisselwerking met de sociaal-culturele bovenlaag van de samenleving. Die wisselwerking met de omringende cultuur is veel sterker geweest dan bijvoorbeeld elders in Europa waar doopsgezinden in een zelfgekozen isolement en vaak ook in een situatie van vervolging leefden. Nederlandse doopsgezinden hebben op deze manier de boodschap van rechtvaardigheid en vrede altijd actief en veelal op praktische wijze uitgedragen in de samenleving

 

Samenvattend kunnen we stellen dat de nadruk in de Nederlandse situatie ligt op de sociale ethiek: de gemeente als voorbode van Gods Koninkrijk van rechtvaardigheid en vrede. Enerzijds proberen gemeenten verantwoordelijkheid te nemen in en voor de samenleving bijvoorbeeld door diaconale projecten, of door zich actief te profileren als vredesgemeente. Anderzijds positioneert de gemeente zich steeds weer als een tegenover: zij probeert de wereld een spiegel voor te houden door de realiteit van Gods Koninkrijk zichtbaar te maken door actief te getuigen in woord en daad van Gods vrede.

 

 

Het sculptuurkerkje van Witmarsum

Auteur: Gerke van Hiele

Bij het Menno Simonsmonument (1878) aan It Fliet te Witmarsum is een sculptuurkerkje verrezen (2008). Architect is Joute de Graaf, destijds voorzitter van initiatiefneemster Stichting Doopsgezinde Monumenten in Friesland. Het geeft de contouren aan van 'Minne Siemens oud preeckhuis', de oorspronkelijke Vermaning die in 1879 werd afgebroken. Men heeft er voor gezorgd dat het niet een besloten vermaning is geworden, maar een open ruimte waarin licht, wind en regen vrij spel hebben. Naast bedevaartsplaats is Witmarsum nog meer een open plek van bezinning en bezieling geworden in de weidsheid van het Friese land.

 

Spiritualiteit

Voor velen is dit nieuwe sculptuurkerkje een goede aanzet om na te denken over de betekenis van de doopsgezinde traditie. Het kerkje is onderdeel van een meditatieve route op Menno's geboortegrond langs drie kernmomenten van de traditie. Deze route begint bij de Koepelkerk in Witmarsum, de plek waar Menno ooit in 1536 de deur achter zich dicht trok. Dit moment tekent de doperse beweging als een vernieuwingsbeweging. Vervolgens is het oude schuilkerkje van Pingjum de uiting van een geschiedenis van vervolging en verdeeldheid. Doopsgezinden werden 'stillen in den lande'. Ten slotte herinnert het open en veelkleurig sculptuurkerkje ons aan onze opdracht om op zoek te gaan naar een eigentijdse vormgeving van ons gemeenteleven, waar ter wereld we ook mogen wonen.

 

Verleden, heden en toekomst

Vroeger kwamen buitenlandse toeristen op deze plek vol verwachting aan, maar gingen zij enigszins teleurgesteld naar huis. Naast het monument is er nu dit stijlvolle open kerkje dat  wijst op de contouren van deze doperse wijze van kerk en gemeente zijn. Het raamwerk staat er.  Het komt er voor ons op aan om in vertrouwen verder te bouwen aan een authentieke geloofs- en levenspraktijk.

 

Doperse kenmerken

Vanzelfsprekend kun je bij deze doperse contouren allereerst aan de Shared Convictions (MWC 2009) denken, maar ook  aan de diverse structuurelementen van onze traditie zoals doop en avondmaal, discipelschap, zelfstandige gemeenten, vredeswerk etc. Daarnaast zouden we ook kunnen denken aan het  zevental  geloofspraktijken van Augsburger: radicale verbondenheid, koppige trouw, vasthoudende ‘gelatenheid’, doorleefde deemoed, robuuste geweldloosheid, concrete dienstbaarheid, authentiek getuigenis.

 

Bronnen: David Augsburger, Dissident discipleship, A spirituality of self-surrender, love of God and love of neighbor, (Grand Rapids 2006).  F. Stark, E.J. Tillema (red.) Kracht van een minderheid (Zoetermeer 2011). G.J.J. van Hiele, ‘De zevensprong. Over doperse spiritualiteit’ in: Doopsgezinde Bijdragen  34 (2008), 127-152.

 

 


Tijd geven

Auteur: Lydia Penner

Doopsgezinden, zoals Nederlanders in het algemeen, zijn erg actief. Zij zijn ervan overtuigd dat zij verantwoordelijkheid moeten nemen voor zichzelf en voor de maatschappij waarin zij leven.

Getuigen
Er is nauwelijks een beroep of vak waar doopsgezinden niet in werkzaam zijn. Op hun werkplaats raken zij in gesprek over hun waarden. Hun kinderen gaan meestal naar openbare scholen, omdat ouders hen liever de eigen vorm van het christelijk geloof leren. Vaak zijn zij de enige in de klas die iets met de kerk heeft. Dit leidt ertoe dat zij wel eens naar kerk en geloof gevraagd worden.

Verjaardagen
Doopsgezinde kinderen zijn bedreven in sport, muziek en toneel, activiteiten die hun persoonlijke ontwikkeling bevorderen. Velen zijn ook actief op de zondagsschool. Daar werken zij om geld in te zamelen voor projecten thuis en in het buitenland. Om bij te dragen aan een organisatie die verjaardagdozen verzorgd voor gezinnen met een beperkt inkomen, maakten kinderen in Den Haag, een stad aan de westkust, taartjes klaar om na de kerkdienst te verkopen. In Nederland is het heel belangrijk om je verjaardag te vieren, wat onder andere voor kinderen inhoudt dat je je klasgenoten trakteert. Met deze dozen kunnen kinderen in arme gezinnen ook hun verjaardag vieren zoals alle anderen.

Fietsen
Doopsgezinden van alle leeftijden zijn gedreven fietsers. Fietsen is immers de snelste en goedkoopste manier om je te verplaatsen in een dichtbevolkt land, het is gezond en het is beter voor het milieu. In Joure, een stadje in Friesland, heeft de jeugd een fietstocht in het spoor van Menno Simons georganiseerd, van zijn geboorteplaats Witmarsum naar Bad Oldesloe waar hij gestorven is. Door middel van sponsors haalden zij geld op voor een voorziening voor gehandicapten in een naburig dorp.

Vrijwilligerswerk
Zoals christenen uit andere kerken, doen doopsgezinde ouders, senioren en alleenstaanden van alle leeftijden veel vrijwilligerswerk, niet alleen in de gemeente zelf, maar ook in de plaats waar zij wonen. Zij werken bijvoorbeeld als gastheren of gastvrouwen in musea; zitten in besturen om culturele activiteiten te ondersteunen; helpen in ziekenhuizen en verpleeghuizen bij de verzorging van bloemen en het brengen van patiënten naar activiteiten; doen iets met mensen die weinig contacten hebben; halen boodschappen en doen verschillende klusjes voor mensen in de buurt die aan huis gebonden zijn; staan familie en buren in nood  bij – wat ook maar. Sommige gemeenten, zoals Zaandam, Surhuisterveen, Rottevalle en Drachten, geven steun en gastvrijheid aan vluchtelingen in het land. 

Gemeenschap en algemeen welzijn

Auteur: Alle G. Hoekema

In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw bouwde de ‘Gemeentedagbeweging’, die streefde naar geestelijke vernieuwing in de doopsgezinde broederschap, verschillende broederschapshuizen. Ze  vervullen een belangrijke rol, ook ten opzichte van de samenleving in zijn geheel, en maken een belangrijk deel uit van de doopsgezinde identiteit. Onlangs werd in Mennorode een nieuwe, ecologisch verantwoorde kapel gebouwd. Een andere vorm van gemeenschap vormen de zogenaamde ‘inloophuizen’, waar thuislozen en vluchtelingen zonder identiteitsbewijs op adem kunnen komen.

 

Weeshuizen, hofjes en scholen

In de zeventiende eeuw stichtten Nederlandse doopsgezinden weeshuizen, en bouwden ze hofjes. Ook vonden ze andere vormen om armen en gemarginaliseerden te ondersteunen. Vooral de grote gemeenten werden actief op deze terreinen. Omdat de doopsgezinde weeshuizen relatief klein waren, konden de wezen goede individuele aandacht krijgen. Na de Tweede Wereldoorlog nam de overheid de zorg op deze gebieden over. Soms zijn de oorspronkelijke stichtingen blijven bestaan; ze ondersteunen noden en activiteiten voor kinderen en jongeren, ook in het algemeen. Slechts één gemeente, Haarlem, kende bijna twee eeuwen lang twee doopsgezinde lagere scholen; aan het begin van de twintigste eeuw stonden ze bekend vanwege hun moderne onderwijsmethoden. Ze werden in 1958 gesloten.

 

Tehuizen voor ouderen

Sommige gemeenten hebben nog altijd een of meer hofjes. Bovendien werden vanaf de jaren dertig van de twintigste eeuw moderne huizen voor ouderen gesticht. Al zulke huizen zijn nu afhankelijk van overheidsregels en subsidies; dat betekent ook een verlies aan doopsgezinde identiteit.

 

Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen

Nederlandse doopsgezinden waren ook actief op het gebied van volksopvoeding en in arme wijken van de grote stad op dat van volksgezondheid. De ‘Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen’ werd in 1784 door enkele doopsgezinden en anderen opgericht. In overeenstemming met de idealen van de Verlichting zetten plaatselijke afdelingen zich in voor volksopvoeding en lectuurverspreiding. De doopsgezinde inbreng is momenteel gering. In de negentiende eeuw waren verschillende welvarende doopsgezinden in Amsterdam betrokken bij de bouw van publieke badhuizen en volkshuisvesting. Toen Nederland na de Tweede Wereldoorlog een verzorgingsstaat werd, verminderde de invloed van de kerken snel op al deze terreinen. Mogelijk zal die rol op sociaal gebied in de nabije toekomst weer moeten groeien.

 

De voetwassing

Auteur: Geja Laan

In de doopsgezinde gemeenten die ik heb mogen dienen is het nooit van een voetwassing gekomen, hoewel ik weet dat dit ritueel in de wereldwijde Broederschap zeker voorkomt. Ook, zo weet ik, heeft het al eeuwenlang deel uitgemaakt van het geloofs- en gemeenteleven van verschillende doopsgezinden. Het idee van een voetwassing voelt ongemakkelijk aan, zo bleek uit gesprekken met verscheidene broeders en zusters.

 

Ontroerend

Toch lees ik elk jaar op Witte Donderdag, wanneer wij Avondmaal vieren, van harte uit het Nieuwe Testament Johannes 13: 1-20 voor, waarin verteld wordt hoe Jezus de voeten van zijn discipelen wast tijdens zijn laatste avondmaal met hen. De tekst ontroert en inspireert me elke keer opnieuw omdat hij in mijn beleving ten diepste laat voelen waar het God en Jezus om gaat: om een liefdevolle levenshouding van niet heersen maar dienen.

 

‘Als nieuw’

Wanneer de evangelieschrijver Johannes vertelt dat Jezus tijdens de maaltijd zijn kleding af doet, legt Jezus naar mijn idee tegelijkertijd ook al zijn mogelijke uiterlijke status af. Jezus gaat niet voor uiterlijk vertoon, maar om dat wat een ander werkelijk goed doet. Hij slaat alleen een linnen doek om zich heen en gaat heel eenvoudig aan de voeten van zijn discipelen zitten om hun voeten schoon te wassen. Om al het vuil dat aan hen kleeft, letterlijk, maar ook figuurlijk naar mijn idee, weg te wassen. Hij zet zich volledig in om hen op te frissen en zo weer ‘als nieuw’ op de been te brengen. Hij heeft, uit eigen wil, het goede met hen voor.

 

Dienstbaarheid: een keuze

Wanneer je gedwongen wordt tot het wassen van iemands voeten is het slavenwerk. Al te vaak zijn met name vrouwen gedwongen om in een dienstbaar patroon allerlei werkzaamheden te verrichten, wat een vervelende situatie is om het hoofd te bieden. Als het echter je eigen keuze is om dienstbaar te zijn, dan is het een ander verhaal. Dan is het een vorm van liefde waar een goddelijke schoonheid en vrede van afstraalt. Een glans en schoonheid die heersers op onze aarde nooit bereiken.

 

‘… Vrij in ’t Christelijk geloven…’        

Auteur: Alfred R. van Wijk

Doopsgezinden kennen de doop voor volwassenen op grond van een zelf opgestelde belijdenis. Hun geloofsopvoeding beslaat daardoor een lange periode. Deze richt zich zowel op peuters als op jong volwassenen die zich op hun doop willen voorbereiden.

 

Geen vaste geloofsleer

Tegenwoordig wordt in vele gemeenten aan  peuters op zondagmorgen een thematische viering aangeboden met een eigen ritueel, waarbij kwaliteitsprentenboeken inhoud aan het thema geven. Deze vieringen zijn gebaseerd op de door Corien van Ark ontwikkelde methode Kom in de kring. Om aanstaande dopelingen voor te bereiden op hun doop zijn er catechesebijeenkomsten die veelal gebruik maken van Aangeraakt door de Eeuwige, een methode die onder redactie van Gerke van Hiele werd geschreven. Hierin gaat het niet om het overdragen van een omschreven geloofsleer. Voor elke bijeenkomst worden in een kadertekst bijbelgedeelten, liederen, aandachtpunten voor gesprek, vormen voor creatieve verwerking en samenvattende vragen gegeven om samen mee aan de slag te gaan. Hiernaast is het voor achttienplussers mogelijk een korte cursus te volgen die jongvolwassenen voorbereiden om als lekenprediker in kerkdiensten voor te kunnen gaan.

 

Persoonlijk beleefd geloof

Zowel Kom in de kring als Aangeraakt door de Eeuwige richten zich op de vorming van een persoonlijk beleefd geloof. Hiertoe was al vanaf de naoorlogse jaren door vooral vrouwelijke geloofsopvoeders materiaal aangedragen in de vorm van een opzet voor zondagschoolwerk, kinderboeken met sleutel- en spiegelverhalen en een handleiding voor ouders.  

 

Van kennisoverdracht naar geloofsvorming

Teruggeblikt op de historische ontwikkeling van de doperse geloofsopvoeding is deze geloofsvorming geleidelijk in de plaats gekomen van kennisoverdracht. Eerst tegen het eind van de zeventiende eeuw werd op verzoek van de ouders de geloofsopvoeding vanwege de gemeente verzorgd. Voorheen zag men deze als de taak van de ouders. In het lesmateriaal ontwikkelde zich naast de nadruk op de deugdzaamheid en kennis van de bijbel een uit het hoofd te leren geloofsleer. De verlossing van de mens, de christologie, de doop en het avondmaal kregen een steeds groter plaats. In de achttiende eeuw kreeg de gematigde Verlichting steeds meer invloed op de geloofsopvoeding. De dopers hadden hierbij een voorhoedepositie doordat zij in hun lesboekjes het verband tussen de natuurwetenschappen en het kennen van God opnamen. In de eeuw daarop zou onder invloed van de academische bijbel-kritiek het modernisme opkomen, die ook de catechese in vrijzinnig vaarwater stuurde. Deze vrijzinnigheid, die persoonlijke geloofsbeleving en een individuele geloofsinhoud bevorderde, geeft tot op de dag van vandaag in de geloofsopvoeding de toon aan.
                                                                                             

Bron: Gerke van Hiele (red.), Aangeraakt door de Eeuwige. Geloofsboek ten behoeve van doopsgezinde gemeenten (Zoetermeer 2001)

 

 

Nederlandse doopsgezinden en politiek

Auteur: Gabe G. Hoekema

Tegenwoordig voelen veel doopsgezinden zich betrokken bij vragen rondom gerechtigheid, ontwikkelingswerk en armoedebeleid. Lange tijd gold dat zij zich op afstand hielden van maatschappij en politiek. In het algemeen gold als leidraad dat de gemeente ‘wel in de wereld, maar niet van de wereld is’. Op de overgang van de achttiende eeuw naar de negentiende eeuw namen dissenterse en patriottische doopsgezinden echter deel aan militante vrijkorpsen en zaten zij in het eerste Nationale Parlement. Ook al assimileerden zij maatschappelijk in de negentiende eeuw, het bleef tot in de twintigste eeuw taboe om in de gemeente over politiek te spreken. Politiek werd beleefd als een persoonlijke aangelegenheid. In de gemeente moest het gaan over het geloof en over de geloofsopvattingen die de leden onderling verbonden. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog kwam dat het scherpst tot uiting toen het oprukkend nazisme in Duitsland ook in Nederland aanhangers kreeg. In De Zondagsbode, het landelijk blad van de doopsgezinden, werd daarover nauwelijks geschreven. Ook niet toen sommige gemeenteleden en predikanten met het Nationaalsocialisme sympathiseerden en zij Hitler bewonderden om zijn sociaaleconomisch beleid.

 

Vietnam en kernwapens

Vanaf de jaren 1960 trad de politiek meer op de voorgrond. Zoals in de discussie  over, en het protest tegen de oorlog in Vietnam en weer later tegen de atoomwapens. Belangrijk was de nadruk op de vraag hoe doopsgezinden een vredesgemeente kunnen zijn.

 

Doopsgezind  polderen

Doopsgezinden leven in een land waar al vele jaren een sfeer is van overleg. Geen politieke en kerkelijke stroming heeft zoveel macht  dat zij zonder andere  stromingen regeren kan. Dat betekent altijd onderhandelen en compromissen sluiten. In gemeenten waar politiek ter sprake komt wordt er gezocht naar wat men verbindt. Zo is er bij sommigen ook een sterk besef van oecumene.

 

Christelijke politiek

Tot op heden zijn er christelijke politieke bewegingen, maar doopsgezinden hebben zich vanuit hun geloof niet politiek georganiseerd. Zij identificeren zich veelal met het liberale of het sociaaldemocratische gedachtegoed. Een kleinere groep zit daar tussen in of is iets radicaler links. Milieu en duurzaamheid zijn voor veel doopsgezinden belangrijke aandachtspunten.

Echt politiek actief zijn de doopsgezinden dus niet, op enkele volksvertegenwoordigers in het parlement na. Sommigen werden minister, staatssecretaris of burgemeester. De bekendste politici op de drempel naar de twintigste eeuw zijn: C. Lely (1854-1929), wiens naam verbonden is aan de Afsluitdijk en S. van Houten (1837-1930) stelde de eerste sociale wet op die kinderarbeid verbood. In de jongste geschiedenis zijn dat: D.K.J. Tommel (1942-) en mw. A. Jorritsma-Lebbink (1950-).

 

Bronnen: C. van Duin, ‘De doperse gemeente – een politiek relevante zaak’, in: Doopsgezinde Bijdragen 2 (Amsterdam 1976), 62-71; E.I.T. Brussee-van der Zee, ‘De Doopsgezinde Broederschap en het nationaalsocialisme, 1933-1940’, in: Doopsgezinde Bijdragen 11 (Amsterdam 1985), 118-130.

 

 

Weerloosheid tegenover verdediging

Auteurs: Marius Romijn, Pieter Post

Doopsgezinden in Nederland kiezen zélf, of ze kunnen meewerken aan staatsgeweld. Dat was anders in de tijd van Menno Simons; de doopsgezinde benadering van geweld heeft zich daarna sterk ontwikkeld.

 

Münster of Menno?

Menno stond tegenover de Münsterse dopers die in 1534 het stadsbestuur hadden overgenomen. Toen herovering door de bisschop dreigde, gingen enkele duizenden Nederlandse doopsgezinden gewapend op weg, ter verdediging van 'Het nieuwe Jeruzalem'. Volgens de Münstersen was het een tijd van wraak, waarin de gelovigen het zwaard moesten opnemen, onder 'De nieuwe David' (Jan van Leyden). Pas hierna zou het vrederijk van Christus worden gevestigd.

 

Weerloze doopsgezinden steunden soms de overheid

Voor Menno en zijn volgelingen had de overheid een door God gegeven taak: 'Bescherming van de zwakken en verdediging van het geloof'. Zelf waren ze weerloos, maar regeringen konden binnen hun taak geweld gebruiken. Menno aanvaardde het bekleden van een overheidsambt, zolang men vrij bleef van bloedvergieten.

In een belegerde stad namen doopsgezinden geen wapens op, wel konden ze branden blussen en schade herstellen. In 1572 brachten Waterlandse doopsgezinden geld naar Willem van Oranje, voor de verdediging tegen de Spanjaarden. In 1672 droegen verschillende soorten doopsgezinden bij om het leger te versterken.

 

Scheiding kerk en staat

Aan het eind van de achttiende eeuw raakten patriottische doopsgezinden onder invloed van de Franse Revolutie actief op de staat betrokken in hun strijd om gelijke rechten. Samen met remonstranten en andere verlichte theologen namen zij zitting in het eerste Nationale Parlement dat de scheiding van kerk en staat voorbereidde. De doopsgezinde predikant Jacob Henrik Floh (1758-1830) was secretaris van de Eerste Kamer en bepleitte gelijke rechten voor Joden die tot de laagste sociale klasse behoorden. In de praktijk betekende de scheiding van kerk en staat (1848) onder doopsgezinden echter geen vanzelfsprekendheid. Enkele theologiestudenten namen deel aan de gewelddadige opstand die het uiteenvallen van België en Nederland tot gevolg had (1830), terwijl een deel van de gemeente Balk naar de Verenigde Staten emigreerde wegens verplichte wapendienst (1853).

 

In de twintigste eeuw werd de geweldloosheid tot nieuw leven gewekt door de doopsgezinde ‘Arbeidsgroep tegen den Krijgsdienst’ (1925). Hieruit vloeide later de Doopsgezinde Vredesgroep voort met een eigen Vredesbureau dat gewetensbezwaarden begeleidde (1946). Gaf de dienstweigeringswet (1923) ruimte voor gemoedsbezwaarden, tegenwoordig is de opkomstplicht voor de militaire dienst opgeschort (1997).

 

Referenties: Alle G. Hoekema e.a., Dagboek Cor Inja. Geen cel ketent deze dromen (Hilversum 2001). Afbeelding: S. Groenveld e.a., Wederdopers, menisten, doopsgezinden in Nederland 1530-1980, (Zutphen 1980),174.