Martelaarschap

Auteur: Hermann Heidebrecht

Toen de bolsjewieken in 1917 de macht in Rusland eenmaal gegrepen hadden, bestreden zij de godsdienst op grote schaal. Geestelijken vormden in hun ogen een grote hindernis op de weg naar een communistische samenleving. Dit liep in de late jaren 1920 uit op de grootste vervolging van christenen in het Europa van de twintigste eeuw.

Vervolgingen
De werkelijke omvang van die vervolging werd pas in de jaren 1980 bekend. Een speciale staatscommissie publiceerde dat er gedurende het Sovjettijdperk ongeveer tweehonderdduizend geestelijken (priesters, geestelijk verzorgers, oudsten en diakenen) zijn vermoord. Nog eens driehonderdduizend predikanten en christenen werden opgesloten in gevangenissen en werkkampen. Ongeveer veertigduizend kerken werden vernield. Om de mennonieten nog meer te frustreren, werden er torenhoge belastingen opgelegd die zij niet konden opbrengen. Kerken werden in beslag genomen en verbouwd tot bioscopen, graanpakhuizen of werkplaatsen. Ook hun oudsten en predikers werden gearresteerd.

In de gevangenis
Dit gebeurde ook met oudste Jakob A. Rempel uit Grünfeld. Van 1906 tot 1912 studeerde hij theologie, taalkunde en filosofie aan de Universiteit van Bazel. Terug in Rusland werd Rempel leraar op een school, later op een universiteit. Hij sloeg het aanbod van een positie als hoogleraar op de Universiteit van Moskou af, omdat hij was verkozen tot oudste in zijn gemeente in Neu-Chortitza. In de jaren 1920 had Rempel de leiding over de [Russische] Doopsgezinde Broederschap. Hij onderhandelde met de regering om ervoor te zorgen dat de gemeenten konden blijven voortbestaan. In 1929 werd zijn familie gedeporteerd, en zijn bezittingen in beslag genomen, voor Rempel redenen genoeg om uit zijn woonplaats weg te vluchten. In november van dat jaar werd hij in Moskou gearresteerd en volgde een lange marteling van zeven maanden. Daarna werd bij nog eens veroordeeld tot tien jaar werkkamp.

Rempels laatste brieven
Een aantal jaren later wist hij te ontsnappen, maar kort daarna werd Rempel opnieuw gearresteerd. Hij zat gevangen tot 11 September 1941, de dag waarop hij samen met 156 andere gevangenen op bevel van Stalin werd vermoord. In één van zijn laatste brieven schrijft hij:

Ze kunnen me ketenen,  me slaan, mijn hoofd afhakken, maar niemand kan me mijn geloof afnemen, mijn kennis, de geschiedenis van mijn leven. Van boerenknecht tot professor, en daarna een nog hogere positie: het werken voor mijn gemeenschap. Ik ben nu op het hoogtepunt van mijn leven. Ik zal me er niet op doen voorstaan, noch zal ik mij onttrekken aan mijn gekozen pad. Ik buig slechts diep voor Diegene die mij deze weg voorgeschreven heeft.

Vertaling: Eliza ten Kate